Geestelijken werkten drankbestrijding tegen
Hilversum (ANP) 20 november 2007 - De katholieke drankbestrijding heeft tegenwerking gekregen van veel geestelijken. Dat blijkt uit het boek De geesel der eeuw van student cultuurgeschiedenis Chris Dols uit Nijmegen. Hij beschrijft daarin de katholieke drankbestrijding tussen 1852 tot 1945.
Eenheid en daadkracht
De katholieke drankbestrijding heeft de emancipatie van de Nederlandse rooms-katholieken flink beïnvloed. Volgens Dols gaf de gezamenlijke strijd van katholieken tegen de drankduivel hun het besef van eenheid en daadkracht en nam alle twijfels en remmingen om het geloof uit te dragen weg.
Geen trijntje, wel wijntje
Veel priesters werkten de campagnes tegen alcoholisme vaak tegen. Door het celibaat ontbeerden zij trijntje, maar zij konden zich onder het mom van christelijke levensvreugde wel flink laven aan een wijntje. Ook vreesden sommige bisschoppen dat de drankbestrijding zou ontaarden in een (socialistisch) radicalisme.
Verzuiling
Evenals vele andere problemen was de drankbestrijding per zuil georganiseerd. In 1842 werd de neutrale Nederlandsche vereeniging tot afschaffing van sterken drank opgericht. De gereformeerden kenden sinds 1900 de Gereformeerde vereeniging voor drankbestrijding (met de nu curieuze afkorting GVD).
Ariëns
In rooms-katholieke kring kwamen de eerste initiatieven in 1852 in Nijmegen en Twente tot stand. Meer dan veertig jaar later, in 1895, richtte Alphons Ariëns, kapelaan in Enschede, een zogeheten Kruisverbond voor mannen op dat zich tegen het alcoholisme keerde maar de sterke drank niet geheel afzwoer. Ook elders ontstond zo'n verbond. Vrouwen en kinderen kregen eigen organisaties.
Geesel der eeuw
In 1898 behoorde Ariëns, die het alcoholisme in een rede in 1898 omschreef als de 'geesel der eeuw', de bond Sobriëtas op, die de plaatselijke verbanden overkoepelde. De naam was ontleend aan het Latijnse woord voor nuchterheid, maar verwees ook naar de deugd van de soberheid. Sobriëtas ging niet uit van geheelonthouding, maar stelde in zijn beginselen wel dat "de onthouding van sterke drank voor een ieder een practisch middel is om in de deugd van matigheid te volharden''. Voorzitter werd de latere minister-president Charles Ruijs de Beerenbrouck.
Sobriëtas
Sobriëtas bereikte in 1921 het hoogste ledental: 177.879. Vooral in de jaren dertig nam de aanhang sterk af. De beweging vergrijsde, wat de secretaris in 1935 ertoe bracht te spreken van "seniele aftakeling''. Na de oorlog werd geprobeerd de katholieke strijd voor matigheid te doen herleven, maar Sobriëtas kreeg nooit meer de vroegere kracht en invloed. Sobriëtas bestaat nog steeds en is nu een stichting geworden die in oecumenische zin activiteiten steunt "op het terrein van morele vorming in evenwichtigheid, matigheid, duurzaamheid en genoegzaamheid''.










