Jan Siebelink
Andersdenkenden 22 januari 2006
‘Zonder grenzen te overschrijden kan je niet iets moois maken’
Hij schreef de ‘allesomvattende roman’: Knielen op een bed Violen, de wereld van het allerzwartste calvinisme. Jan Siebelink beschrijft de dramatische teloorgang van de Velpse bloemenkweker Hans Sievez die verzinkt in een fanatiekgodsdienstig fundamentalisme. Siebelink won er de prestigieuze AKO-Literatuurprijs 2005 mee en verkocht inmiddels 200.000 exemplaren. In Andersdenkenden en Kruispunt-radio (za, 18.30 uur, Radio 1) spreekt de schrijver.
De wereld van Smijtegeld, van valse prediking, van de Concordans van Trommius. ‘Geloof dat vrijmaakt is een eeuwig vuur’. Beklemmender kan een wereld er niet uitzien dan zoals Siebelink die van zijn religieus op hol geslagen vader beschrijft. Een psychodrama in 435 pagina’s. De thema’s: spirituele hysterie, godsdienstwaanzin, wereldverzaking, maar ook: de liefde. In de tuin van de kwekerij overvalt Sievez een visioen dat hem op een radicaal-orthodox spoor voert. De hoofdfiguur in het boek - in feite de vader van Siebelink - verraadt op zijn sterfbed zijn eigen vrouw door haar te negeren. Een blik in de richting van zijn niet-uitverkoren vrouw kon hem God’s Heil kosten. ‘In ons gezin was mijn moeder gewoon modaal hervormd, ze praktiseerde het geloof op een rustige kalme manier. Mijn vader raakte aan die uiterst-rechtse extreme kant van dat hervormd-zijn’.
Waar oefenaars (een soort vrije dominees) hem toeriepen: “Je bent niet een mens, je bent slechts een worm”.
‘Ja. In die wereld gelden zéér extreme teksten waarin de mens slechts nietig als een zandkorrel is. In mijn roman wordt die hoofdfiguur als zeer nietig voorgesteld maar ook als heel verlaten. In díe vorm van geloofsbeleving is dat de enige voorwaarde om de Eeuwige Zaligheid te beërven’.
De Velpse bloemkwekerij van Siebelink’s vader staat voor de schoonheid van bloemenpracht maar ook voor het zwoegen en het wroeten in de aarde. Siebelink beschrijft de vernedering die de hoofdfiguur ondergaat als zijn planten niet worden geaccepteerd wanneer hij met zijn bakfiets op weg gaat naar klanten. ‘Ik heb altijd het gevoel gehad mijn vader te moeten beschermen tegen de kwelling en de aantasting. Met Knielen op een Bed Violen heb ik dat definitief gedaan. Ik wilde hem nog éénmaal doorgronden: wát heeft hem bezield om zijn gezin zo te behandelen, om zó de relatie met zijn eigen vrouw onder druk te zetten? In woorden heb ik alsnog het wonder dat hem op de tuin overkwam opnieuw laten plaatsvinden, met woorden in het boek. Ik hoop dat dat gelukt is. Ik heb hem daarmee definitief willen vrijwaren voor de vernederingen van mensen. Niemand kan meer aan hem komen. Dit boek is eigenlijk álles wat ik nog voor hem heb kunnen doen, ook het laatste dat ik voor hem heb kunnen doen’.
Kunt U daar wel vrede mee hebben, dat dit het laatste is?
‘Ik heb het er wel moeilijk mee want ik leef nog steeds met ze. Ze zijn nog steeds heel dicht bij mij’.
Knielen op een bed violen is een unicum in de Nederlandse letteren, het boek beroert veel lezerszielen. ‘Qua oplagecijfers, dus voor wat betreft de uiterlijke of materiële kant, is het wel een unicum. Je schrijft een boek en je hoopt dat daar lezers voor komen. Je kunt natuurlijk zeggen: het maakt niet uit of er 1000 lezers zijn of 10.000 lezers maar ik geef toe dat ik hier zelfs niet eens van gedróómd heb. Het is misschien ook wel een unicum dat ik als calvinistische schrijver nu eens níet afreken met die wereld. Ik wíl niet afrekenen, ik wil in die wereld binnenkomen en ik wil er zovéél mogelijk van weten. Ik ben ook onthutst over de ontvangst van het boek, het jaagt mij ook angst aan. Het is eigenlijk onrustbarend dat dit boek voor zoveel mensen zo’n grote troost is. Ik denk wel eens: misschien had mijn vader het helemaal niet goed gevonden dat ik een boek over hem geschreven heb, in deze bewoordingen -, doe ik daar wel goed aan? Mag ik dat wel doen? Ach, het is allemaal heel erg Sartriaans. Ik ben te kwader trouw want ik heb dat boek uiteindelijk toch zélf willen schrijven. Er komen nu mensen op mij af die net hun man of hun vrouw hebben verloren. Een man van 40 jaar zit in de zaal en zegt: “Wilt U in mijn exemplaar van Uw boek schrijven: ‘Ik ga het voor jou lezen’. Ik kijk hem vragend aan. “Nou”, zegt hij, “Ik zal het U maar vertellen. Ik heb vorige week mijn vrouw begraven. Ze was 38 jaar, ze had een virulente tumor in de hersenen, er was niks meer aan te doen maar ze zei: ‘Ik wil zo graag dat boek van Siebelink lezen”’. Daar was ze dus niet meer aan toegekomen. Nu gaat híj het voor haar lezen. Die man zat een hele avond in een zaal met mensen en verdroeg het dus om al die mensen om zich heen te hebben, die allemaal leven, net als hij -, maar híj heeft verdriet over zijn vrouw. “Dat boek, zei hij, “dat boek heb ik nodig”. Dan denk ik: wie ben ik dat ik dat doen mag?’
Siebelink kwam in de jaren zeventig met regelmaat bij de Benedictijnen in Oosterhout. ‘Ik ben, toen mijn vader heel erg ziek was rond die jaren enkele keren in retraite gegaan bij de Benedictijnen in Oosterhout. Nog geen week nadat mijn vader overleed werd ik gezegend door de blinde Pieter van der Meer de Walcheren, de bekende schrijvermonnik van die abdij. Hij legde zijn handen op mij, ik was op dat moment bezig om mijn vaderlijke geoof, dat ouderlijke geloof kwijt te raken. Toch wilde ik dat weer vásthouden ‘aan de hand van’ de uiterlijke kenmerken van het katholieke geloof, met zijn wierook, zijn eeuwenoude plavuizen, de muren die gebeden uitzweten’.
U komt er niet meer?
‘Nee, ik kom er niet meer maar mijn belangstelling daarvoor is niet verminderd. Ik heb nu mijn eigen mooie studeerkamer waar ik mediteer en waar mijn boeken mij beschermen’.
Bestaat er naast de door U beschreven gereformeerde benauwenis van dat donkere calvinisme ook zoiets als een katholieke religieuze benauwenis?
‘Zeker! Ik denk dat katholieke gezinnen bang waren voor de pastoor die soms met zijn ‘terreur’ kwam: er moest weer een baby geboren worden, er moesten weer meer kinderen komen, ieder gezin moest toch op zijn minst een priester leveren of een jongen die naar het seminarie ging. Het is hetzelfde zoals mijn vader met angst en beven een oefenaar of een ouderling thuis zag komen, hij was daar ook bang voor. Ik kom met mijn boek nu ook in het zuiden van het land en dan blijkt dat mijn boek ook daar herkend wordt’.
Uw boek beschrijft het milieu van de bevindelijke calvinisten van zeker 25 jaar geleden, voorbij-de-SGP. Anno 2006 bestaat het nog steeds.
‘Ik dacht dat ik een roman had geschreven over een definitief-verzonken wereld maar het tegendeel blijkt waar. In zaaltjes waar ik voorlees staan er mensen op en zeggen: “Ik kom uit hetzelfde soort nest. Er zijn nog steeds jonge gezinnen waar uit Smijtegeld wordt gelezen! Je denkt dat Nederland seculariseert, zich afwendt van het christendom maar er is een andere reactie waaruit blijkt dat er juist een geweldige aanwas is, júist in die rechterflank van de kerk. Nu is er dan dit boek verschenen waarin men zich herkend. Er ligt onder dit boek een vraag die niet geformuleerd wordt maar die de lezer onbewust voelt. Ál dat zwoegen van Hans op deze aarde, het verspenen, oppotten en het mooi uitplanten van viooltjes op een bed maar óók zijn zwoegen in geestelijke zin in dat duistere zwarte ‘refo’-calvinisme, is dat alles zinloos en absurd geweest als blijkt dat de God waar hij zo mee bezig was niet bestaat? De vraag die eronder ligt luidt: ís God er eigenlijk wel, ja of nee? Gelukkig wordt die vraag niet expliciet gesteld’.
Uw vader heeft zijn vrouw op zijn sterfbed eigenlijk verraden terwijl hij heel veel van haar hield?
‘Ja, hij heeft mijn moeder buitengewoon veel verdriet berokkend. Ik ben ook kritisch tegenover hem, ook al uit ik dat niet zo. Maar ik beschouw hem toch meer als slachtoffer van mensen, van een ideologie of van een geloof waar hij niet onderuit kon. Hij is slachtoffer. Zijn vrouw Margje is slachtoffer, het hele gezin is er slachtoffer van geworden. Je kunt natuurlijk zeggen: hij had flink moeten zijn, die lui die hem dat geloof aanpraatten van zijn tuin moeten schoppen maar als je eenmaal gevangen bent en op dat pad beland kan je er niet meer van afkomen’
U noemt Uw boek ook een liefdesroman?
![]() |
| Jan Siebelink (foto: rkk) |
Ik zie dat het U nog steeds diep ontroert?
‘Nog steeds. Ik ben niet los van het boek, ik ben niet los van mijn ouders. Ik ben niet los van dat hele probleem van mijn eigen geloven, van mijn eigen angst voor de toekomst. Ook mijn tijd op deze aarde is niet meer zo ruim bemeten. Ik houd van die man met huid en haar. Ik ben tot aan het einde toe en tot en met alles volstrekt loyaal tegenover mijn vader, tot het uiterste toe. Dat is een principe in mijn leven dat ik als kind al heb ingenomen. Ik zal hem altijd verdedigen’.
U bent een twijfelende schuldige calvinist én U bent in het dagelijkse leven een man van enige roekeloosheid. In uw sportauto zult U bijvoorbeeld geen veiligheidsgordels omdoen?
‘Mijn vrouw wil dat ik ze omdoe maar uit mijzelf doe ik het eigenlijk zelden. Akkoord, ik rij vaak te hard, het is een vorm van het opzoeken van grenzen. In dit boek worden ook grenzen opgezocht en overschreden. De hoofdfiguur Hans overschrijdt grenzen. Als je wilt loskomen van deze werkelijkheid en naar die andere wereld wilt, dan moet je grenzen overschrijden. Dat houdt in dat je wreed bent voor degene die naast je staat. Je doet haar daar pijn mee zoals Hans dat in mijn boek met zijn vrouw doet. Maar: zonder grenzen te overschrijden kun je niet iets moois maken. Ik heb mooie ideeën voor een nieuw boek en ik hoop dat ik langzamerhand weer de rust en de tijd vind om ´s morgens aan mijn bureau te gaan zitten om nog een nieuwe mooie roman te schrijven. Die tijd zal zeker komen’.
Kunt U zelf nog wel verwijlen bij een bed violen?
‘Ja, heel goed. Een viool is een fluwelig bloempje met een mooie vorm en met eindeloos veel variatie in kleur en tint. Het is een bloem die eigenlijk nooit verveelt. Als ik iemand violen zie uitplanten zie ik het zo weer in ons gezin voor me. Als je eens wist hoe dat ging? Een bed aanleggen met een haspel, zo’n mooi recht bed, in een verhoginkje in het landschap van zeg 10 cm. Dat is dan omgespit en mooi glad geharkt. Mijn vader ging dan op zo’n kokosmatje knielen en uit een klein bakje haalde hij dan één voor één die kleine plantjes eruit en zette ze uit in het open veld. Onder het uitspansel van de hemel zette hij ze in práchtige rechte rijen in de grond. Ik stond er als jongetje altijd bij te kijken. Voor mij was dat een religieuze handeling. Zó behoorde de mens op deze aarde te werken en mooie dingen te maken. Ik heb die kwekerij en die tuinderij altijd ervaren als het Paradijs. Dit was zoals God het bedoeld had. Zo heb ik met dit boek ook mensen verleid en betoverd. Het is ook echt een mooi boek geworden, mooi geschreven, met mooie beelden. De zinnen lopen. Het is een intuïtief boek, in een roes ontstaan. Het hele boek bevat 360.000 woorden, dat heeft de computer uitgerekend. Ondenkbaar dat ik al die woorden op redelijke wijze achter elkaar heb kunnen zetten. Er is een wonder gebeurd. Mijn hand is geleid. Je kunt niet van te voren zeggen: ik ga schoonheid maken. Schoonheid kan niet gepland worden. Maar het is wel een schoon boek geworden’.
Gerard Klaasen en Jan Siebelink zondag 22 januari in RKK’s Andersdenkenden (14.02 Radio 747)













