Recensie - ‘God is gek' van Kluun
door Frank G. Bosman
Komt een vrouw bij de dokter
Kluun is het pseudoniem van Raymond van de Klundert (1964). De van oorsprong in de marketing werkende Van de Klundert verloor in 2001 zijn vrouw aan kanker. Hij verkocht zijn bureau en vertrok met zijn driejarige dochter naar Australië. Daar schreef hij zijn debuutroman Komt een vrouw bij de dokter (2003). Later schreef hij ook nog Help, ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt! (2004) en De weduwnaar (2006).
Bestaat God?
Kluun trekt in zijn essay God is gek dat speciaal geschreven is voor de Maand van de Spiritualiteit ten strijde tegen het platte triomfalistische atheïsme dat vandaag de dag zo bon ton blijkt te zijn geworden. Als hij terugkomt uit Australië verbaast hij zich dat hij het Grote Nieuws helemaal gemist heeft. Overal om hem heen, in de talkshows van Pauw en Witteman en De Wereld Draait Door hoort hij ‘dat God niet meer bestaat’. In een ‘interview’ laat hij Jeroen Pauw (“de gekrulde helft”) antwoorden op de vraag of God bestaat: “God bestaat niet, God is verzonnen.” Het hele boek is gelardeerd met dit soort korte interviews, onder andere met ex-EO-coryfee Arie Boomsma, Leo Blokhuis, Jo Hermans en Cees Dekker, maar ook met dode grootheden als Albert Einstein, Ludwig Wittgenstein en Spinoza. Allemaal geven ze andere antwoorden op de vraag naar het bestaan van God.
Wittedoodsweken
De auteur van Komt een vrouw bij de dokter beschrijft zijn eigen religieuze biografie als een zoektocht naar God: van misdienaar via ‘sinterklaasgelovige’ naar het sterfbed van zijn vrouw. Hij doet dat met een combinatie van humor en mooie taalvondsten. Bij het overlijden van zijn vrouw spreekt hij over ‘wittedoodsweken’, en “als het eb is in je leven” en over “het land aan de andere kant van het verstand”. Je moet er van houden, maar het ontroert zeker wel.
Denken in sjablonen
Kluun bekritiseert de media die louter denken in sjablonen. “Antoine Bodar, Arie Boomsma, Andries Knevel, Thijs van den Brink: ze kunnen er op wachten dat de telefoon rinkelt als er ergens een ambtenaar geen zin heeft een gay-couple in de echt te verbinden of een kardinaal naast de pot pist.” Het frappante is, zo constateert Kluun, is dat deze ‘religieuze experts’ zich altijd moeten verdedigen voor hun expertise.
Freakshow der Onnadenkendheid
Bodar wordt bijna persoonlijk aangesproken op de misstanden in de RK-Kerk, terwijl ‘atheïstische’ experts als Cees Geel, Eddy Terstall of Boris Dittrich (‘mediahomo’) zich niet hoeven te verdedigen voor respectievelijk het verlies van PSV, de ondergang van de PvdA of over de discriminatie van homoseksuelen. Boomsma zegt erover: “Het is wel opvallend dat ik in de media als christen wordt aangesproken als schoolbesturen een homoleraar weigeren en de paus condooms in Afrika verbiedt.” Kluun vraagt zich af waar die behoefte toch vandaan komt “om alle christenen te presenteren als objecten in de Freakshow der Onnadenkendheid?”
Fanatici
Een paar maal laat Kluun een ‘getuige-deskundige’ aan het woord. Willem Drees (Universiteit van Leiden): “De atheïst lijkt vooral de creationist als ideale gelovige te zien, want die is makkelijk te bestrijden.” En John Gray (filosoof en econoom): “De anti-godbrigade doet in haar fanatisme niet onder voor missionarissen en jihadi”. Deze passages lijken op die in het boek Geleerd en gelovig van Cees Dekker (2008) waarin wetenschappers hun persoonlijk geloof aan hun wetenschappelijke inzichten verbinden.
Dawkins
Vooral ‘de ongekroonde voorman van het militante atheïsme’ Richard Dawkins moet het bij Kluun ontgelden: “Hij is boos op alles wat met religie te maken heeft” en doet dat “met de overtuigingskracht van een communeleider”. Tegenover Dawkins zet Kluun geleerden van internationale faam die ‘bewijzen’ dat geloof en wetenschap mooi samen kunnen gaan: Stephan Gould, Martin Rees en Francis Collins. Ook de bekende theoloog Alister McGrath wordt erbij gehaald. Hij valt Dawkins ‘waarschijnlijkheidsideaal’ aan. Dawkins beweert dat het zeer onwaarschijnlijk is dat er een God bestaat, maar McGrath vraagt zich af hoe waarschijnlijk het is dat de mens uit toeval ontstaan is.
Zweefmolenliteratuur
Tegen deze ‘atheïstische beweging’ zet Kluun het succes van het blad Happinez, en van ‘zweefmolenliteratuur’ (de term is van Kluun zelf) als De alchemist van Paulo Coelho en Eindeloos bewustzijn van Pim van Lommel, en van de cultfilm What the bleep do we know? “De nieuwe spiritualiteit is big business,” constateert Kluun zelf. En dan komt de auteur met zijn eigen credo: “Ik geloof dat in de meeste religies ergens een waarheid verborgen ligt” en “God is gewoon een ander woord voor liefde”. En dat viel me eigenlijk heel erg tegen.
Ietsistisch
Nadat Kluun – terecht mijns inziens – ruimte vraagt voor het geloof in God zonder daarmee jezelf als intellectueel mens te verloochenen, vult hij dat geloof in langs inmiddels klassiek te noemen ietsistische lijnen: veel liefde, veel waarheid, veel respect, maar tegelijkertijd vaag en inhoudsloos. Het resultaat is een tandeloze religie, zonder theologie, zonder weerbarstigheid, zonder moreel appèl.
Godsbewijzen
Een beroep op enkele traditionele godsbewijzen als die van Descartes werken daar ook niet aan mee. ‘Godsbewijzen’ worden door de moderne theologie al lang niet meer als zodanig gebruikt, omdat ze onhoudbaar zijn. Zie het dramatische gesprek tussen SP-voorman Marijnissen en aartsbisschop Eijk bij Het Elfde Uur: twee mensen die elkaar totaal niet begrepen, omdat beide dezelfde woorden gebruikte, maar er iets ander mee bedoelde. Dat is ook mijn laatste kritiekpunt op Kluun: in zijn discussie met het atheïsme probeert hij aan te tonen dat het wetenschappelijk niet te bewijzen is dat God bestaat noch dat te bewijzen valt dat hij niet bestaat. Hiermee conformeert Kluun zich aan het natuurwetenschappelijk paradigma dat hij zo verfoeit.
Natuurwetenschappen
Kluun ‘strijdt’ op de condities en speelregels van zijn ‘tegenpartij’, en die strijd zal hij dan ook onherroepelijk verliezen. Beter ware het als Kluun nog een extra hoofdstuk had geschreven over de religie/geloof/theologie die in staat is het paradigma van de natuurwetenschappen te bekritiseren. De natuurwetenschappen willen zich beperken tot hetgeen te meten en te berekenen valt. Dat is hun paradigma, daar zijn ze goed in. Maar dat idee van ‘meten = weten’ is langzamerhand overgebracht op andere terreinen van het menselijk leven. Dan is liefde ‘niets anders’ dan een chemisch proces en een boom ‘niets anders dan een zuurstoffabriek’, zoals Herman Finkers in zijn show Na de pauze opmerkte. De empirie van de natuurwetenschappen hoort bij de natuurverschijnselen, maar moet niet als kennismethode gaan dienen van de metafysische basis van de gehele werkelijkheid. In die zin past de atheïsten bescheidenheid, en dat pepert Kluun ze goed in.
Kluun, God is gek. De dictatuur van het atheïsme, Ten Have (2009), ISBN 9789079186150
Recensent Frank G. Bosman is theoloog en verbonden aan de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg. Zie www.goedgezelschap.eu.











