home
rkkerk.nl
bisdommen
mediapastoraat
nieuws
radio
televisie
katholicisme
Beknopte historie van de katholieke kerk in Nederland

De benaming ‘katholieke’ ofwel ‘rooms-katholieke kerk’ is eigenlijk pas bruikbaar vanaf de 15e eeuw ter onderscheiding van de toen nieuwe protestantse godsdienst. Betreffend de voorgaande tijd behoren we zonder meer te spreken over de geschiedenis van de kerk in Nederland.

Eerste missionarissen
De geschiedenis begon in het uiterste zuiden met Servatius, bisschop te Tongeren en Maastricht (ca. 340-384). Na de volksverhuizingen werd Amandus omstreeks 635 door Rome als missionaris naar de Franken en Friezen gezonden. Hij woonde twee jaar lang als bisschop te Maastricht en gold naderhand als de apostel van Vlaanderen en van de Belgen. Een volgende bisschop van Maastricht was Lambertus, een Frankische edelman, geboren rond 635 en vermoord in 705/706 en opgevolgd door Hubertus (ca. 665-727). Meer bekend is de Angelsaksische monnik Willibrord (658-739) die vanuit zijn klooster te Rathmelsigi in Zuid-Ierland met twaalf medewerkers in 690 aan de kust van de Noordzee landde. Hij missioneerde in nauwe samenwerking met de christelijke Frankische vorsten en adel die hem verschillende schenkingen deden. In 695 kreeg hij een officiële zendingsopdracht van Paus Sergius I die hem tot bisschop van de Friezen wijdde. Medewerkers waren Suitbert ,de beide Ewalden en gedurende ruim drie jaar  Bonifatius die in 754 te Dokkum werd vermoord. Willibrord stierf in 739 in het door hemzelf gestichte klooster te Echternach, waar hij ook begraven werd. Vervolgens hebben verschillende bisschoppen en priesters, onder wie Gregorius, Liudger, Lebuinus en Willehadus, het succesvolle werk van Willibrord geconsolideerd en voortgezet.

Middeleeuwen
Vanaf Willibrord bestonden er, globaal genomen, maar twee bisdommen, boven de grote rivieren Utrecht en daaronder Luik. Kerk en rijk waren nauw met elkaar verbonden. Keizers gaven aan de bisschoppen wereldlijke macht. De vroegere missie-bisschop veranderde in vorst-bisschop. Utrechtse bisschoppen als Radboud (900-917), Balderik (918-976) en Bernold (1027-1054) bouwden en restaureerden kerken in hun bisschopsstad, gaven grote opdrachten aan kunstenaars, maar het concreet bestuurlijke werk werd door anderen gedaan. Hiervoor hadden zij hun hulp- of wijbisschoppen, aartsdiakens, dekens en kapittels. Ook aan de basis was er de verstrengeling van wereldlijke en geestelijke macht. Pastoors werden vaak aan de bisschop voorgedragen door plaatselijke adellijke heren en hun benoeming was niet meer dan een formaliteit. Die verstrengeling van de macht werd op het hoogste niveau, tussen keizer en paus,  in de zogenaamde investituurstrijd uitgevochten. Deze eindigde in 1122  met het concordaat van Worms.

Nu hadden paus en bisschoppen sinds de oude kerk weer het recht in eigen handen betreffende bestuurlijke en andere kerkelijke aangelegenheden. De kerk aan de basis was een belangrijke bron van inkomsten voor hogere kerkelijke autoriteiten vanwege priesterwijdingen, dispensaties, verlenen van aflaten  kerkelijke straffen en de oprichting van nieuwe kerken of altaren. Tegelijkertijd was de invoering van de celibaatsverplichting een moeizam proces.Vanaf de 4e eeuw schreven pausen seksuele onthouding voor geestelijken voor met behoud van hun huwelijk. Dit voorschrift had maar een betrekkelijk succes en er werden pogingen gedaan de celibaatsverplichting in te voeren die tenslotte op het Lateraans Concilie van 1215 werd verordend. De strikte onderhouding werd pas in de 16e eeuw door de hervormingen van het Concilie van Trente mogelijk gemaakt. Ook al werd het celibaat in de middeleeuwen door pastoors en kapelaans dikwijls niet onderhouden, toch genoten zij een groot aanzien in de parochies, omdat ze vanwege de sacramentsbediening als onmisbare middelaars werden gezien tussen God en de mensen.

Opvallend is de stichting van vele kloosters voor mannen of vrouwen. De eerste waren van benedictijnse oorsprong, Egmond, Hohorst bij Amersfoort, Elten en Thorn (10e eeuw). In de volgdende eeuwen ontstonden er op verschillende plaatsen nog meer benedictijnse, maar ook nieuwe kloosters van de Regulieren van St. Augustinus (Rolduc 1104, Ludingakerke ca.1160), van de Norbertijnen (Middelburg 1123, Beesd 1129, Berne 1134, Hallum 1163, Ter Apel 1212), van de Dominicanen (Utrecht 1232), van de Cisterciënsers (Rinsumageest 1160, Hartwerd 1194, Franssum 1194, Hallum ca. 1200), enz. Zij kregen veel landgoederen, tienden of cijnzen ten geschenke en hadden vaak het recht om in parochies de pastoor te zijn of voor te dragen. Van bijzondere betekenis was de zogenaamde Moderne Devotie, een spirituele stroming in de late middeleeuwen, waarvan Geert Groote (1340-1384) de gangmaker was. In zijn geest schreef Thomas van Kempen (1380-1471) de ‘Navolging van Christus’, een boekje dat na de bijbel de meest gelezen literatuur is geweest.

Hollandse Missie
Het protestantisme, ontstaan in de 16e eeuw, wilde op grond van ‘alleen de bijbel’ de Nederlandse kerk zuiveren van alle ingeslopen wantoestanden, waaronder de band met de paus van Rome. Eenmaal aan de macht gekomen, verbood de calvinistische regering bij plakkaat van 1581 de openbare uitoefening van de katholieke godsdienst.De kerkgebouwen werden onteigend en door protestanten in gebruik genomen, terwijl de katholieken zich met schuil- en schuurkerken tevreden  moesten stellen. 

Hervorming was inderdaad nodig. De grote humanist, Erasmus van Rotterdam (gest. 1536), had dit in zijn geschriften al duidelijk gemaakt. Katholieke hervorming werd vanuit Rome ter hand genomen op het concilie van Trente (1545-1563) en om meer controle te krijgen op het kerkelijk leven werden er door paus Paulus IV in 1559 negen nieuwe bisdommen opgericht.Vanwege de opstand tegen Spanje kon de nieuwe hiërarchie niet functioneren en al vanaf  1581 door Rome vervangen door de ‘Hollandse Missie (Zending)’, bestaande uit apostolische vicarissen en later door aartspriesters. Deze bestuurlijke situatie zou voortduren tot het herstel van de Nederlandse Hiërarchie in 1853. Een bijzondere stroming moet aan Jansenius ofwel Cornelis Jansen (1585-1638) worden toegeschreven die naar aanleiding van St. Augustinus de mens al te zondig voorstelde. Over het algemeen waren de katholieken zeer pausgezind. Toch ontstond er een schisma, toen de Utrechte geestelijkheid (het kapittel) in 1723 een nieuwe bisschop, Cornelis Steenoven, had gekozen. Zijn keuze en wijding werden  door Rome min of meer als onwettig beschouwd en niet geaccepteerd. Hierdoor ontstond de Oud-katholieke kerk.

Emancipatie
In 1796 werd in de Bataafse Republiek de scheiding van kerk en staat afgekondigd en de Staatsregeling van 1798 bepaalde dat iedereen de vrijheid had ‘om God te dienen naar de overtuiging van zijn hart’. De vrijheidsidee van de Franse Verlichting heeft hierbij zeker een rol gespeeld. Met de godsdienstvrijheid begon de emancipatie. De openbare uitoefening van de katholieke godsdienst was weer mogelijk en veel kerkgebouwen werden teruggegeven. Een sterke stimulans aan het emancipatorisch gevoel gaf J.G. Le Sage ten Broek die in 1818 het tijdschrift ‘De Godsdienstvriend’ oprichtte. Verder kwamen er katholieke scholen, verenigingen en broederschappen, zodat met dit alles ‘het rijke roomsche leven’ kon beginnen. In 1853 volgde het herstel van de bisschoppelijk hiërarchie met de bisdommen Utrecht, Haarlem, Breda, De Bosch en Roermond. Pausgezind zond katholiek Nederland van 1865 tot 1870 ongeveer drieduizend zoeaven naar Rome om de Vaticaanse Staat te verdedigen. Rond 1900 kwamen er vele nieuwe congregaties voor vrouwelijke en mannelijke religieuzen die zich voor het onderwijs, de ziekenverzorging en de buitenlandse missie hebben ingezet. Op wetenschappelijk gebied kan de stichting van de Radboud Universiteit te Nijmegen in 1923 genoemd worden. Deze katholieke emancipatie en welvaart die gepaard gingen met verzuiling, duurden voort tot in het midden van de 20e eeuw. Tijdens de Duitse bezetting (1940-1945) protesteerden de bisschoppen, in het bijzonder kardinaal de Jong (1885-1955, tegen de aantasting van de godsdienstvrijheid door het nationaal-socialisme. Om deze reden vond de karmeliet Titus Brandsma, zalig verklaard in 1985, de dood in het concentratiekamp te Dachau (1942).

Nieuwe tijd
In 1954 verscheen het Bisschoppelijk Mandement: ’De katholiek in het openbare leven van deze tijd’. Hierin werd het lidmaatschap van de VARA en van de socialistische vakvereniging NVV verboden. Lidmaatschap van de Partij van de Arbeid werd ernstig ontraden. Als sanctie gold de weigering van sacramenten. Protesten van veel vooraanstaande katholieken mochten niet baten. Pas in 1965 werd het mandement ingetrokken. Dit was een teken van de nieuwe tijd, waarin veel katholieken geëmancipeerd en mondig waren geworden.Verder werden er in 1955  twee nieuwe bisdommen opgericht, Rotterdam met bisschop Martinus Jansen en Groningen met bisschop Petrus Antonius Nierman.

Er was een nieuwe tijdsgeest gegroeid, waarmee de westerse kerk werd geconfronteerd. Zo kreeg ze te maken met de vraag naar meer verantwoordelijkheid van de geestelijkheid en de leken aan de basis; de persoonlijke gewetensbeslissing moest meer de norm worden voor het christelijk leven en de liturgie moest meer verstaanbaar worden gemaakt. Bovendien moesten de bisschoppen in onderlinge collegialiteit meer zelfstandigheid ten opzichte van Rome krijgen. Om aan de nieuw tijdgeest tegemoet te komen opende paus Johannes XXIII het Tweede Vaticaans concilie (1962-1965) dat nieuwe ideeën en perspectieven gaf. Hierdoor geïnspireerd, werd te Noordwijkerhout van 1968 tot 1970 het  Pastoraal Concilie van de Nederlandse kerkprovincie gehouden. Er werden ook veel leken, mannen en vrouwen, en vertegenwoordigers van ander kerken afgevaardigd, want de oecumenische beweging was in volle gang. De resoluties voor kerkelijke vernieuwing gingen zo ver, dat Rome zich genoodzaakt voelde in grijpen. De Nieuwe Katechismus, een werk van het Katechetisch Instituut te Nijmegen, dat in 1966 door kardinaal Alfrink (gest. 1987) namens de bisschoppen was gepresenteerd en in 34 talen is verschenen, kreeg in 1969 vanuit Rome een corrigerende aanvulling. De ‘op hol geslagen kerk’ werd door Rome een halt toegeroepen door bijvoorbeeld nieuwe bisschopsbenoemingen, Adrianus Johannes Simonis in 1971 voor Rotterdam en Joannes Gijsen in 1972 voor Roermond. Gemotiveerd door verbondenheid met de wereldkerk van Rome, werd zo het erfgoed van de katholieke kerk ook in Nederland goeddeels bewaard.

Gedurende deze hele periode ontstond er een heilloze polarisatie met aan de ene kant de behoudende en aan de andere kant de progressieve katholieken die nog steeds verlangen naar de realisering van het Nederlands Pastoraal Concilie. Aan het einde van de 20e eeuw blijkt de polarisatie grotendeels overwonnen. Naast de sterke afname van het kerkbezoek, de sluiting van kerkgebouwen, de samenvoeging van parochies en het gebrek aan priesters is er in de nieuwste tijd bij velen een meer bewust katholiek geloof ontstaan. Dit blijkt onder andere uit nieuwe, soms ontraditionele geestelijke (leken-) bewegingen, uit vitale parochies met tal van vrijwilligers en, hoewel niet specifiek katholiek, uit de bestrijding van discriminatie, wereldarmoede en oorlogsgeweld.  Zo is er een nieuw katholiek engagement bemerkbaar in een geseculariseerde samenleving.

Literatuur
R.R. Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, 2 delen, Utrecht-
Antwerpen, Uitgeverij Het Spectrum, 1957.

A.G. Weiler, Willibrords missie, Christendom en cultuur in de zevende en achtste eeuw,
Uitgeverij Gooi en Sticht, 1989.

L.J. Rogier, Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en 17e eeuw, 2 delen, tweede druk, Uitgeverij Urbi et Orbi, Amsterdam 1957.

P. Polman O.F.M., Katholiek Nederland in de achttiende eeuw, 3 delen, Uitgeverij Paul Brand, Hilversum, 1958:
Eerste deel, De Hollandse Zending 1700-1727,
Tweede deel, De Hollandse Zending 1727-1795,
Derde deel, Buiten de Hollandse Zending 1700-1795.

L.J. Rogier en N. de Rooy, In vrijheid herboren, Katholiek Nederland 1853-1953,  NV Uitgeverij Pax, ´s-Gravenhage 1953.

Memoriale, Een eeuw katholiek leven in Nederland, samengesteld door Herman Pijfers en Jan Roes, Uitgeverij Waanders, Zwolle 1996.

(Geschiedenis van kerk en religie, katholiek en protestants):
A.G. Weiler, O.J. de Jong, C.W. Mönnich, Geschiedenis van de kerk in Nederland, Uitgeverij Het Spectrum (Aula-boek), Utrecht 1962.

Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, Nederlandse Religiegeschiedenis, Uitgeverij Verloren, Hilversum 2005.

Herman J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Uitgeverij Kok,
Kempen 2006.