Vredesboodschap 2009 paus Benedictus XVI
VOORLOPIGE NEDERLANDSE VERTALING
Benedictus XVI, Boodschap ter gelegenheid van de viering van de Wereldvredesdag, 1 januari 2009
Armoede bestrijden, vrede stichten
1. Aan het begin van dit nieuwe jaar wil ik graag weer mijn vredeswensen uitspreken tot mensen overal. Via deze boodschap stel ik voor ons te bezinnen op het thema: Armoede bestrijden, vrede stichten. In zijn boodschap ter gelegenheid van de Wereldvredesdag van 1993, heeft mijn voorname voorganger paus Johannes Paulus II aandacht gevraagd voor de negatieve gevolgen voor de vrede wanneer hele volkeren in armoede leven. Armoede is één van de factoren die aanleiding geven tot conflicten en ze verergeren, inclusief gewapende oorlogen. Deze conflicten vormen op hun beurt een voedingsbodem voor ernstige situaties van armoede. “Bovendien”, zo schreef Johannes Paulus II, “is er een andere dreiging voor de vrede die om zich heen grijpt in de wereld die steeds ernstiger wordt: vele personen, ja, zelfs gehele bevolkingsgroepen leven in omstandigheden van extreme armoede. De ongelijkheid tussen rijken en armen is groter geworden, ook in de economisch meer ontwikkelde landen. Dit is een probleem van de mensheid omdat de omstandigheden waarin een groot aantal mensen verkeert dusdanig zijn, dat ze een bedreiging vormen voor de oorspronkelijke waardigheid en dientengevolge de authentieke en evenwichtige ontwikkeling van de mondiale gemeenschap in gevaar brengen.”1
2. In dit verband moet men in de strijd tegen armoede het complexe fenomeen van globalisering nauwlettend in acht nemen. Aandacht voor dit verschijnsel is belangrijk vanuit een methodologisch oogpunt. Hier wordt namelijk gesuggereerd te profiteren van het economische en sociologische onderzoek dat in veel verschillende aspecten van armoede al is uitgevoerd. In deze context zou de verwijzing naar globalisering ons echter ook attent moeten maken op de geestelijke en morele implicaties van de kwestie. Het moet ons aansporen om, in onze omgang met de armen, op weg te gaan vanuit de erkenning van onze deelname aan één enkel goddelijk plan: we zijn geroepen één familie te vormen, waar iedereen – mensen, volkeren en naties – zich gedraagt volgens de principes van broederschap en verantwoordelijkheid. Deze invalshoek vraagt om een brede en verstaanbare visie op armoede. Als het alleen om materiële armoede zou gaan, dan zouden de sociale wetenschappen die ons ertoe in staat stellen verschijnselen te meten op basis van kwantitatieve gegevens, genoeg zijn om de belangrijkste eigenschappen van armoede aan te tonen. We weten echter dat er andere, niet-materiële vormen van armoede bestaan die geen directe en automatische consequentie zijn van materiële nood. In ontwikkelde rijke samenlevingen zien we bijvoorbeeld aanwijzingen van marginalisering, als ook relationele, morele en geestelijke armoede. We zien dit in mensen die innerlijk gedesoriënteerd en om verschillende redenen ongelukkig zijn, ondanks hun economische welvaart. Enerzijds heb ik het over wat bekend staat als “morele onderontwikkeling”2, en anderzijds over de negatieve gevolgen van de “overontwikkeling”3. Ik mag ook niet vergeten dat de economische groei in de zogenaamde “arme” samenlevingen vaak wordt belemmerd door culturele obstakels die tot een inefficiënt gebruik van de beschikbare hulpbronnen leiden. Aan iedere vorm van armoede die van buitenaf is opgelegd, ligt het gemis aan respect voor de transcendente waardigheid van de mens ten grondslag. Wanneer een mens niet gezien wordt in de volheid van zijn roeping en de ware “menselijke ecologie”4 niet wordt gerespecteerd, krijgen de gruwelijke drijfveren achter armoede vrij spel. Dit wordt duidelijk in een aantal specifieke opzichten, die ik nu één voor één zal doornemen.
Armoede en morele implicaties
3. Armoede wordt vaak beschouwd als een consequentie van demografische verandering. Om deze reden worden er internationale campagnes gevoerd om geboortecijfers terug te dringen. Daarbij worden soms methodes gebruikt die noch de waardigheid van de vrouw, noch het recht van de ouders respecteren om op verantwoorde wijze een keuze te maken over het aantal kinderen dat ze willen krijgen. Nog erger is dat deze methodes zelfs het recht op leven niet respecteren. Het uitroeien van miljoenen ongeboren kinderen in de naam van de strijd tegen armoede houdt in feite de vernietiging van de armste mensen in. Toch is het zo dat in het jaar 1981 ongeveer 40 procent van de wereldbevolking beneden de absolute armoedegrens leefde, terwijl dat percentage vandaag de dag is teruggebracht tot maar liefst de helft. Hele volkeren lijden dus niet meer onder armoede ondanks de substantiële demografische groei die zij ervaren. Dit bewijst dat de middelen om het armoedeprobleem op te lossen wel degelijk bestaan, zelfs in het aanzien van een groeiende populatie. Ook mag men niet vergeten dat sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog de wereldbevolking is gegroeid met 4 miljard. Dit heeft grotendeels te maken met de landen die zich de laatste tijd als nieuwe economische grootmachten op de internationale markt gepresenteerd hebben en een snelle ontwikkeling doorgemaakt hebben, juist vanwege het grote aantal inwoners. Bovendien boeken ontwikkelde naties met hogere geboortecijfers meer vooruitgang dan andere ontwikkelde naties. Met andere woorden, bevolking bewijst een verdienste te zijn, geen factor die bijdraagt aan armoede.
4. Een ander zorgwekkend punt van aandacht betreft pandemieën als malaria, tuberculose en AIDS. In zoverre deze ziektes de kapitaalproducerende sectoren van de populatie raken, vormen ze een belangrijke factor in de algemene achteruitgang van het betreffende land. Maatregelen die men treft om de gevolgen die deze ziektes voor de bevolking hebben in toom te houden, boeken niet altijd het gewenste resultaat. Het gebeurt ook dat landen die te maken hebben met pandemieën zich gehinderd weten in hun aanpak hiervan. Ze worden in de val gezet door diegenen die economische hulp laten afhangen van een beleid dat ingaat tegen het leven. Het wordt bijzonder moeilijk AIDS, een grote oorzaak van armoede, te bestrijden als niet ook de morele kwesties die zijn verbonden aan de verspreiding van het virus worden behandeld. Ten eerste moeten er educatieve campagnes, voornamelijk gericht op jongeren, gevoerd worden. Deze campagnes dienen een seksuele ethiek met respect voor de waardigheid van de persoon uit te dragen. Dit soort initiatieven hebben al veel vrucht gedragen en daardoor de verspreiding van AIDS teruggebracht. Ook moeten de nodige medicijnen voor de armere volkeren beschikbaar worden gesteld. Dit vooronderstelt een vastbesloten inzet om medisch onderzoek en innovatieve behandelingsmethodes te promoten. Er zou, mocht dit nodig zijn, een flexibele toepassing van de internationale regels ter bescherming van het intellectuele eigendom moeten zijn, zodat de nodige elementaire gezondheidszorg voor alle mensen gegarandeerd kan worden.
5. Een derde punt dat aandacht vraagt voor programma’s ter bestrijding van armoede, welke ook weer de intrinsieke morele dimensie benadrukt, is kind armoede. Wanneer armoede een gezin treft, blijken kinderen de kwetsbaarste slachtoffers te zijn: bijna de helft van de mensen die vandaag in absolute armoede leven zijn kinderen. Hulp bieden aan kinderen wanneer het om armoede gaat, betekent dat men prioriteit moet geven aan de zaken die voor hen het belangrijkst zijn, zoals de zorg voor moeders, het geven van onderwijs, beschikbaarheid van vaccins, medische zorg en drinkwater, bescherming van het milieu en vooral een inzet om het gezin en haar interne relaties bescherming en stabiliteit te bieden. In het geval een gezin niet sterk is, zijn het onvermijdelijk de kinderen die lijden. Wanneer de waardigheid van vrouwen en moeders niet beschermd wordt, zijn het de kinderen die daardoor het meest getroffen worden.
6. Een vierde punt dat speciale aandacht vraagt vanuit een moreel standpunt is de relatie tussen ontwapening en ontwikkeling. De huidige hoeveelheid aan militaire uitgaven in de wereld is zorgwekkend. Zoals ik al eerder heb gezegd, kan het gebeuren dat “gigantische militaire bestedingen, zoals materiële en menselijke middelen en wapens, in feite niets meer te maken hebben met ontwikkelingsprojecten voor bevolkingen, in het bijzonder de armen die de hulp het meest nodig hebben. Dit is tegengesteld aan wat er in het Handvest van de Verenigde Naties staat, dat de internationale gemeenschap en Staten in het bijzonder aanspoort om ‘de totstandkoming en de handhaving van de internationale vrede en veiligheid te bevorderen op een wijze waarbij een zo gering mogelijk deel van wat de wereld aan mensen en middelen te bieden heeft wordt uitgetrokken voor bewapening’(art.26).”6 Deze stand van zaken promoot op geen enkele wijze, in tegendeel blokkeert, de verwerving van de ambitieuze ontwikkelingsdoelstellingen van de internationale gemeenschap. Daarbij komt dat een buitensporige toename in militaire uitgaven de versnelling van een oorlog in wapenbezit riskeert en daardoor verandert in een voedingsbodem voor onderontwikkeling en wanhoop. Op deze manier ontwikkelt deze situatie zich op paradoxale wijze in een aanleiding tot instabiliteit, spanning en conflicten. Zoals mijn gerespecteerde voorganger Paulus VI wijs opmerkte, “is ontwikkeling de nieuwe naam voor vrede”.7 Staten worden dus uitgenodigd serieus na te denken over de onderliggende oorzaken van conflicten, vaak het gevolg van onrechtvaardigheid, en vol moed zelfkritisch te blijven. Als relaties verbeterd kunnen worden, moet het ook mogelijk zijn om militaire uitgaven aan wapens terug te dringen. De middelen die daarmee worden uitgespaard kunnen dan besteed worden aan ontwikkelingsprojecten om de armen en de meest hulpzoekende mensen en volkeren bij te staan. Zich op deze manier inzetten zou inzet voor vrede voor de mensenfamilie betekenen.
7. Een vijfde punt dat in verband kan worden gebracht met de bestrijding van materiële armoede, heeft te maken met de actuele voedselcrisis, die de tegemoetkoming van basisbenodigdheden in gevaar brengt. Deze crisis wordt niet zozeer gekarakteriseerd door een gebrek aan voedsel als door de moeilijkheid tot het bereik ervan en door verschillende vormen van speculatie. Met andere woorden: door een structureel gebrek aan politieke en economische instellingen die de capaciteiten bezitten om met behoeften en noodgevallen om te gaan. Ondervoeding kan ook leiden tot ernstige mentale en fysieke beschadiging bij de bevolking. Hierdoor wordt veel mensen de energie ontnomen die nodig is om armoede te bestrijden zonder extra hulp van buitenaf. Dit draagt dan weer bij aan de verbreding van de kloof van ongelijkheid, wat hevige reacties kan veroorzaken. Alle tekenen van relatieve armoede laten de laatste jaren een toenemende ongelijkheid tussen rijk en arm zien. Zonder twijfel zijn de belangrijkste redenen hiervoor aan de ene kant de technologische vooruitgang waar grotendeels de rijkeren van profiteren en aan de andere kant de prijzen van industriële producten die veel sneller omhoog gaan dan die van landbouwproducten en ruwe grondstoffen die zich in de handen bevinden van de armere landen. De meerderheid van de bevolking van de armste landen lijdt dus onder een dubbele vorm van marginalisering vanwege de ongunstige gevolgen die zowel de lagere inkomens als de hogere prijzen voor hen hebben.
Universele solidariteit en de strijd tegen armoede
8. Een van de belangrijkste manieren om vrede te stichten is een vorm van globalisering die gericht is op de belangen van de hele mensenfamilie 8. Om op deze manier vat te krijgen op het globalisatieproces moet er een sfeer van mondiale solidariteit 9 aanwezig zijn tussen de rijke en arme landen, als ook binnen de landen zelf, inclusief de rijke. Ook is er een “gemeenschappelijke ethische code” 10 nodig, die niet alleen bestaat uit normen gebaseerd op een simpele consensus, maar geworteld is in de natuurlijke wet die door de Schepper in ieder menselijk geweten is gegraveerd (vgl. Rom 2,14-15). Voelt niet ieder van ons diep vanuit zijn of haar geweten de roeping een persoonlijke bijdrage te leveren aan het gemeenschappelijke goed en aan de vrede in de samenleving? De globalisering gaat over bepaalde grenzen heen, maar creëert ook weer nieuwe barrières: het brengt volkeren samen, maar ruimtelijke en tijdelijke vormen van nabijheid vormen op zich niet de voorwaarden voor de ware gemeenschap en authentieke vrede. Effectieve manieren om de marginalisering van de armste mensen in de wereld aan te pakken, kunnen alleen gevonden worden wanneer mensen overal ter wereld zich de onrechtvaardigheden en schending van mensenrechten persoonlijk aantrekken. De Kerk, die “teken en instrument is van de innerlijke vereniging met God en van de eenheid van heel het mensdom”11 zal blijven bijdragen aan het vinden van oplossingen voor onrechtvaardigheden en misverstanden, zodat er een wereld kan komen waar een grotere vrede en solidariteit heersen.
9. Op het gebied van de internationale commercie en financiën, vinden vandaag de dag processen plaats die leiden tot een positieve integratie van de economieën, die zorgen voor een algemene verbetering in omstandigheden. Er zijn echter ook processen gaande die naar de tegenovergestelde richting neigen en volkeren verdelen, marginaliseren en gevaarlijke situaties creëren die kunnen losbarsten in oorlogen en conflicten. De internationale handel in goederen en diensten is sinds de Tweede Wereldoorlog buitengewoon snel gegroeid, met een impuls zoals die nog nooit in de geschiedenis is voorgekomen. Een groot deel van deze wereldhandel draaide altijd om landen die vroeg industrialiseerden, maar recentelijk hebben veel andere landen zich op de wereldmarkt gepresenteerd en vormen daarmee een belangrijke aanwinst. Toch zijn er andere landen met lage inkomens die wat betreft handel nog steeds in een gemarginaliseerde positie verkeren. In de laatste decennia is hun vooruitgang op een negatieve manier beïnvloed door de snelle verlagingen van handelsprijzen waar praktisch hun hele exportsysteem op gebaseerd is. De manier waarop deze landen, die zich voor het grootste deel in Afrika bevinden, afhankelijk zijn van de export van hun handelswaar blijft een grote risicofactor. Op dit moment zou ik opnieuw een oproep willen doen alle landen een gelijke kans te geven deel uit te maken van de wereldmarkt, zonder enig uitsluitsel of marginalisering.
10. Een gelijksoortige gedachte geldt voor de financiën, een cruciaal aspect van globalisering, dankzij ontwikkelingen op het gebied van technologie en beleidsvoeringen in de liberalisering van uitwisseling van kapitaal tussen landen. De belangrijkste functie van financiën is objectief gezien lange termijn investeringen te ondersteunen en dus ontwikkelingen mogelijk te maken. Vandaag de dag blijkt dit concept ontzettend instabiel te zijn: er worden negatieve gevolgen ervaren van een financieel systeem – zowel op nationaal als mondiaal niveau – dat zich baseert op korte termijn gedachteprocessen. Deze manier van denken is gericht op de waardevergroting van financiële operaties en is geconcentreerd op het technisch management van verschillende risicovormen. De recente crisis laat zien hoe een financiële werkzaamheid soms alleen maar op zich kan staan, zonder dat er een lange termijn plan is voor het gemeenschappelijke goed. Het feit dat de mondiale financiële doelstellingen worden afgehandeld met het oog op hele korte termijn resultaten zorgt ervoor dat de mondiale financiën de capaciteit verliezen te functioneren als een verbinding tussen het heden en de toekomst. Ook vormt het niet meer een stimulans voor nieuwe productie- en werkgelegenheden op lange termijn. Wanneer financiën alleen maar zaken dienen die gericht zijn op korte en zeer korte termijnen, wordt de situatie gevaarlijk voor iedereen, zelfs voor diegenen die ervan profiteren wanneer de financiële markten er goed voor staan.12
11. Dit alles laat ons zien dat de strijd tegen armoede om samenwerking vraagt op zowel economisch als juridisch gebied. Dit kan dan de internationale gemeenschap, en voornamelijk de armste landen, de kans geven gecoördineerde strategieën te bepalen en toe te passen om met bovengenoemde problemen om te kunnen gaan, zodat er een effectief juridisch systeem betreffende de economie kan worden opgesteld. Men moet aanzet geven om goedfunctionerende en participerende instellingen op te zetten, en ondersteuning bieden in de strijd tegen criminaliteit en de bevordering van een legitieme leefsfeer. Maar het is wel zo dat beleid dat zich in te grote mate richt op ondersteuning juist problemen geeft bij het bieden van hulp aan arme landen. Investeren in de vorming van mensen en in de ontwikkeling van een specifieke en goedgeïntrigeerde ondernemingscultuur lijkt op dit moment de juiste benadering te zijn op middellange en lange termijn. Economische activiteiten moeten in gunstige omstandigheden kunnen plaatsvinden, maar daarbij niet de aandacht afwenden van het belang van inkomsten. Het is waar dat inkomensverhoging per hoofd van de bevolking niet de belangrijkste doelstelling is die de politiek en economie zich nu moeten aanmeten, maar het is wel een belangrijk middel in de strijd tegen honger en extreme armoede. Daarom moet men niet de illusie hebben dat een herverdelingsbeleid van het aanwezige kapitaal het probleem zonder meer kan oplossen. In een moderne economie is de waarde van rijkdom volkomen afhankelijk van de mogelijkheid inkomsten te genereren in het heden en de toekomst. Het verwerven van kapitaal wordt daardoor een onontkoombare plicht, waar men zich bewust van moet blijven wil de strijd tegen materiële armoede effect hebben op lange termijn.
12. Als men de armen prioriteit wil geven, moet er plaats zijn voor een ethische benadering van de economie door diegenen die actief zijn op de internationale markt. Ook moet er een ethische benadering zijn van politiek door politici die voor de overheid werken, als ook een ethische benadering van de maatschappelijke participatie zodat de samenleving een bijdrage kan leveren op locaal en internationaal niveau. Internationale vertegenwoordigingen hebben zelf de waarde en voordelen ontdekt van economische initiatieven die genomen zijn vanuit de maatschappij of locale gezagssystemen; zij komen op voor emancipatie en sociale betrokkenheid van bevolkingsgroepen die vaak beneden de absolute armoedegrens leven en dus niet gemakkelijk bereikt worden door hulp van de overheid. De twintigste-eeuwse geschiedenis van de economische ontwikkeling leert ons dat goede beleidsvoeringen effect hebben wanneer mensen ze op een verantwoordelijke manier volbrengen en een gunstige samenwerking tussen markten, de maatschappij en staten mogelijk gemaakt wordt. In het bijzonder speelt de maatschappij een belangrijke rol in ieder ontwikkelingsproces, aangezien ontwikkeling in essentie een cultureel verschijnsel is en cultuur in een maatschappelijke leefomgeving ontstaat en evolueert 13.
13. Zoals mijn voorname voorganger paus Johannes Paulus II eens opmerkte, heeft de globalisering “een uitgesproken ambivalent karakter”14 en daarom moet men er met grote voorzichtigheid mee omgaan. Dit houdt in dat men prioriteit moet geven aan de armen in de wereld en daarbij het schandaal van de onevenwichtigheid tussen de armoedeproblemen en de oplossingen hiervoor te boven moet komen. Deze onevenwichtigheid is te vinden op cultureel en politiek gebied als ook op geestelijk en moreel gebied. We houden ons vaak alleen bezig met de oppervlakkige en praktische oorzaken van armoede zonder rekening te houden met de problemen die ontstaan zijn in het hart van de mens, zoals hebzucht en kortzichtigheid. Men gaat soms om met de problemen in ontwikkeling, hulp en internationale samenwerking zonder aandacht te schenken aan het menselijke aspect. In plaats daarvan behandelt men alleen de technische vraagstukken die zich beperken tot het vestigen van structuren, het opzetten van handelsovereenkomsten en anonieme fondswerving. Echter onmisbaar in de strijd tegen armoede zijn mannen en vrouwen die op een echte broederlijke manier leven en in staat zijn om mensen, families en gemeenschappen bij te staan op hun weg naar een authentieke humane ontwikkeling.
Conclusie
14. In de Encycliek Centesimus Annus, heeft Johannes Paulus II ons gewaarschuwd voor het belang “de mentaliteit op te geven die de armen - individuen en volken – als een last en als ongelegen verstoorders beschouwt, die willen verbruiken wat andere geproduceerd hebben”. De armen, schreef hij, “vragen het recht om te delen in het genot van de materiële goederen en om hun werkwerkkracht vruchtbaar te maken en zo een wereld te scheppen die meer rechtvaardig en voor allen meer welvarend is”.15 In de wereld van vandaag, die aan globalisering onderhevig is, wordt het steeds duidelijker dat vrede alleen gesticht kan worden als iedereen een eerlijke kans krijgt verder te groeien: vroeg of laat zal iedereen moeten opdraaien voor de problemen die onrechtvaardige systemen veroorzaken. Het is behoorlijk krankzinnig een luxe optrek te bouwen te midden van woestenij en verderf. Globalisering alleen is niet in staat vrede op te bouwen, en creëert in feite in veel gevallen verdelingen en conflicten. Het laat ons vooral zien dat het nodig is te streven naar oprechte solidariteit, zodat het goede in ieder en alles naar boven kan komen. In dit opzicht zou globalisering moeten worden gezien als een goede kans om iets zinvols te bereiken in de strijd tegen armoede, en als een middel om rechtvaardigheid en vrede te stichten op manieren die voorheen maar nauwelijks te bedenken waren.
15. De sociale leer van de Kerk heeft zich altijd beziggehouden met de armen. In de tijd van de Encycliek Rerum Novarum werden de arbeiders die in de nieuwe industriële maatschappij werkten als de armen beschouwd. In de sociale leer van Pius XI, Pius XII, Johannes XXIII, Paulus VI en Johannes Paulus II kwamen er, naarmate de sociale kwestie zich uitbreidde en uiteindelijk reikte tot wereldniveau, geleidelijk nieuwe vormen van armoede aan het licht. De uitbreiding van de sociale kwestie tot wereldniveau zou men niet alleen als een kwantitatieve maar ook als kwalitatieve verbreding kunnen beschouwen die inzicht in de mens en behoeften van de mensenfamilie geeft. Bewust van de huidige globaliseringprocessen en hun impact op armoede, belicht de Kerk nieuwe aspecten van de sociale kwestie, waarbij het niet alleen gaat om omvang maar ook om diepgang, in zoverre ze te maken hebben met de menselijke identiteit en de relatie van de mens met God. Deze principes van de sociale leer lijken de samenhang tussen armoede en globalisering te verduidelijken en helpen ons in het op gang brengen van het vredesproces. Het is hier in het bijzonder op zijn plaats om een van deze principes aan te duiden als “voorkeursliefde voor de armen”.17 Dit principe kan gezien worden in het licht van de voorrangverlening aan menslievendheid, waar de Christelijke traditie van getuigt en dat een begin heeft in de tijd van de vroege Kerk (vgl. Hnd 4,32-36; 1Kor 16,1; 2Kor 8-9; Gal 2,10).
“Een ieder gorde zich om voor de hem wachtende taak en wel zeer spoedig” schreef Leo XIII in 1891, waarna hij toevoegde dat “de Kerk het nooit en in geen enkel opzicht aan haar medewerking zal laten ontbreken”.18 Met deze gedachte werkt de Kerk tot op de dag van vandaag voor de armen, waarin Christus wordt gezien 19 en hoort zij onophoudelijk de echo van de woorden in haar hart die de Prins van Vrede tot zijn apostelen sprak: “Vos date illis manducare – Geven jullie hen dan zelf te eten”(Lc 9,13). Trouw aan deze oproep van de Heer zal de christelijke gemeenschap nooit falen in het bieden van ondersteuning aan de hele mensenfamilie door gebaren van creatieve solidariteit. Niet “door alleen uit het overtollige te putten”, maar “vooral door een verandering van de levensstijlen, van de productie- en consumptiemodellen, van de structuren van gevestigde macht die nu de maatschappijen beheersten”.20 Daarom, aan het begin van dit nieuwe jaar, nodig ik iedere leerling van Christus en elk mens van goede wil hartelijk uit om het hart open te stellen voor de belangen van de armen en de mogelijke concrete stappen te zetten om ze te helpen. De waarheid van deze grondstelling kan niet worden weerlegd: “armoede bestrijden is vrede bouwen”.
Vanuit het Vaticaan, 8 december 2008
Benedictus PP. XVI
Vertaling: Hanneke Verkaart
© Copyright 2008 – Libreria Editrice Vaticana
© Copyright Nederland 2008 – Secretariaat RK Kerkgenootschap
Noten:









