Boodschap van paus Benedictus XVI voor Wereldroepingendag 2009
BOODSCHAP VAN PAUS BENEDICTUS XVI VOOR DE 46ste WERELDROEPINGENDAG 3 MEI 2009 – VIERDE ZONDAG VAN PASEN Thema: Geloof in het initiatief van God – het antwoord van de mens
Dierbare broeders in het bisschops- en het priesterambt, broeders en zusters, Ter gelegenheid van de komende Wereldgebedsdag voor Roepingen tot het priesterschap en het religieuze leven, die 3 mei 2009, de vierde zondag van Pasen, zal worden gevierd, wil ik heel het volk van God uitnodigen om na te denken over het thema: geloof in het initiatief van God – het antwoord van de mens. Jezus' aansporing van de discipelen: “Vraag dus de heer van de oogst om arbeiders in te zetten voor zijn oogst” (Mt 9,38) vindt blijvend weerklank in de Kerk. Vraag! De dringende oproep van de Heer benadrukt dat bidden om roepingen blijvend en vol vertrouwen moet zijn. De christelijke gemeenschap kan alleen werkelijk "met meer geloof en hoop op Gods Voorzienigheid vertrouwen” (Sacramentum Caritatis, 26) als deze levend worden gehouden door gebed. De roeping tot het priesterschap en het religieuze leven is een speciale gave van God, die deel wordt van het grote liefdes- en verlossingsplan dat God voor iedere man en vrouw en de hele mensheid heeft. De apostel Paulus, die wij in dit Paulusjaar vanwege zijn 2000ste geboortedag op een speciale manier herdenken, zegt in zijn brief aan de Efeziërs, “Gezegend is de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelse regionen in Christus heeft gezegend met elke geestelijke zegen. Want in Hem heeft Hij ons uitgekozen, al voor de grondlegging van de wereld, om heilig en vlekkeloos voor Hem te staan in liefde” (Ef 1,3-4). In de universele roeping tot heiligheid is Gods initiatief tot het uitverkiezen van sommigen om zijn Zoon Jezus Christus van meer nabij na te volgen en zijn bevoorrechte dienaren en getuigen te zijn, van bijzonder belang. De goddelijke Meester persoonlijk roept de apostelen op “met de bedoeling dat ze Hem zouden vergezellen, en uitgezonden zouden worden om te verkondigen, met de macht om de demonen uit te drijven” (Mc 3,14-15). Zij op hun beurt verzamelden andere leerlingen om zich heen als trouwe medewerkers in deze opdracht. Zo hebben talloze gelederen van priesters en religieuzen zichzelf door de eeuwen heen – in antwoord op Gods roeping en open voor de werking van de heilige Geest – geheel in dienst van het evangelie in de Kerk gesteld. Laten we God danken, omdat Hij tot op vandaag doorgaat met het bijeenroepen van werkers in zijn wijngaard. Ongetwijfeld is er een duidelijk en zorgwekkend tekort aan priesters in sommige delen van de wereld, en komt de Kerk moeilijkheden en obstakels tegen op haar weg. Maar we worden gesteund door de onwrikbare zekerheid dat het de Heer is die haar veilig leidt op haar wegen door de tijd naar de uiteindelijke vervulling van het Koninkrijk. Hij kiest vrijelijk personen van elke cultuur en leeftijd en nodigt hen uit Hem te volgen in de mysterievolle plannen van zijn barmhartige liefde. Onze eerste taak is het dan ook, in gezinnen en parochies, bewegingen en apostolische verenigingen, religieuze gemeenschappen en alle sectoren van het diocesane leven, om deze smeekbede om Gods initiatief levend te houden door onophoudelijk gebed. We moeten bidden dat het gehele christelijke volk groeit in vertrouwen op God, overtuigd dat de “Heer van de oogst” niet ophoudt sommigen te vragen hun gehele bestaan vrijwillig in zijn dienst te stellen en zo nauwer met Hem samen te werken in de verlossingsopdracht. Wat dan van geroepenen wordt gevraagd, is goed te luisteren, verstandig te onderscheiden, edelmoedig en bereidwillig in te stemmen met het goddelijke plan en serieus het specifieke van de priester- of kloosterroeping te onderzoeken, om er vervolgens verantwoordelijk en overtuigd aan te kunnen beantwoorden. De Catechismus van de Katholieke Kerk herinnert ons er terecht aan dat Gods vrije initiatief een vrij antwoord van mannen en vrouwen vereist. Een positief antwoord, dat altijd de aanvaarding en vereenzelviging met het plan dat God voor iedereen heeft, vooronderstelt. Een antwoord dat het liefhebbende initiatief van de Heer verwelkomt en, voor de geroepene wordt tot bindende morele plicht, dankbetuiging aan God en volledige samenwerking met het plan dat God door de geschiedenis heen uitvoert (vgl. nr. 2062). Als we het mysterie overwegen van de eucharistie – dat op sublieme wijze de vrije gave van de Vader in de Persoon van zijn Eniggeboren Zoon ter verlossing van de mensheid uitdrukt, evenals de volledige en gehoorzame bereidheid van Christus om de ‘beker’ van Gods wil geheel leeg te drinken (vgl. Mt 26,39) – kunnen we beter begrijpen hoe “het geloof in het initiatief van God” aan het "antwoord van de mens" zijn vorm en waarde geeft. In de eucharistie, die volmaakte gave die het liefdesplan tot redding van de wereld in vervulling brengt, offert Jezus zich uit zichzelf voor de verlossing der mensheid. “De Kerk”, zo schreef mijn geliefde voorganger Johannes Paulus II, “heeft de eucharistie van Christus, haar Heer, gekregen als geschenk – hoe kostbaar ook – onder zo vele andere, maar als een geschenk bij uitnemendheid, want het is de gave van zichzelf, van zijn Persoon in zijn geheiligde menselijkheid, als ook de gave van zijn verlossingswerk” (Ecclesia de Eucharistia, 11). Het zijn de priesters die geroepen zijn om dit verlossingsmysterie te laten voortgaan van eeuw tot eeuw tot de glorierijke wederkomst van de Heer. Immers zij kunnen juist in de eucharistische Christus het voorbeeld bij uitstek overwegen van een ‘roepingsdialoog’ tussen het vrije initiatief van de Vader en het trouwe antwoord van Christus. In de viering van de eucharistie is het Christus zelf die werkt in degenen die Hij als zijn dienaren uitkiest. Hij ondersteunt hen zo dat hun antwoord zich ontwikkelt in een dimensie van vertrouwen en dankbaarheid die alle vrees verdrijft, ook al ervaren zij des te scherper hun eigen zwakheid (vgl. Rom 8,26-28), of is de ervaring van onbegrip tot zelfs vervolging juist het bitterst (vgl. Rom 8,35-39). Het besef door de liefde van Christus gered te zijn, dat door de Mis bij de gelovigen en vooral de priesters wordt gevoed, kan alleen maar aanmoedigen tot gelovige overgave aan Christus die zijn leven voor ons gaf. Geloof in de Heer en aanvaarding van zijn gaven helpen dan ook om ons aan Hem toe te vertrouwen met een dankbaar hart en instemming met zijn verlossingsplan. Wanneer dit gebeurt, laat degene die ‘geroepen’ wordt vrijwillig alles achter en onderwerpt zich aan het onderricht van de goddelijke Meester. Er begint dan ook een vruchtbare dialoog tussen God en mens, een mysterievolle ontmoeting tussen de liefde van de Heer die roept en de vrijheid van de mens die antwoordt in liefde. Hij hoort daarbij woorden van Jezus weerklinken in zijn ziel, “Niet jullie hebben Mij uitgekozen; nee, Ik heb jullie uitgekozen en Ik heb jullie de taak gegeven eropuit te gaan en vrucht te dragen, vruchten die blijvend zijn” (Joh 15,16). Deze vervlechting van liefde tussen het goddelijke initiatief en het menselijke antwoord is ook op wonderbare wijze aanwezig in de roeping tot het religieuze leven. Het Tweede Vaticaans Concilie herinnert ons: “De evangelische raden van God gewijde zuiverheid, van armoede en gehoorzaamheid – gebaseerd op de woorden en de voorbeelden van de Heer en aanbevolen door de apostelen, de vaders, de leraars en herders van de Kerk – zijn een goddelijke gave die de Kerk van haar Heer heeft ontvangen en met genade altijd bewaart” (Lumen Gentium, 43). Nogmaals, Jezus is het voorbeeld voor elke kloosterling van volledige en getrouwe toewijding aan de wil van de Vader. Aangetrokken door Hem hebben vele mannen en vrouwen vanaf de allereerste eeuwen van het Christendom hun familie, bezittingen, materiële rijkdom en al wat menselijk begerenswaardig is verlaten om Christus edelmoedig te volgen en het evangelie te beleven zonder compromis, hetgeen voor hen een school was geworden voor diepgewortelde heiligheid. Ook in onze tijd ondernemen velen diezelfde veeleisende reis van evangelische vervolmaking en realiseren hun roeping in het belijden van de evangelische raden. Dit getuigenis van onze broeders en zusters – in contemplatieve kloosters, religieuze instellingen en congregaties van het apostolische leven – herinnert de gelovigen aan het volgende: “dat mysterie van het Koninkrijk van God is al werkzaam in de geschiedenis, ook al wacht het haar volledige voltooiing in de hemel” (Vita Consecrata, 1). Wie kan zichzelf waardig achten tot het priesterambt te naderen? Wie kan het gewijde leven omarmen door alleen op zijn of haar eigen menselijke kracht te vertrouwen? Nogmaals, het is goed terug te keren naar het antwoord van mannen en vrouwen op de goddelijke roeping. Zo gauw zij zich bewust zijn dat God het is die het initiatief neemt en zijn verlossingsplan ten uitvoer brengt, vormt het zich niet naar het benepen egoïsme van de nutteloze dienaar die uit angst het hem toevertrouwde talent in de grond stopte (vgl. Mt 25,14-30), maar juist in bereidwillige aanvaarding van de uitnodiging van de Heer. Zoals in het geval van Petrus die vertrouwde op het woord van de Heer en niet aarzelde het net nogmaals uit te werpen, ook al had hij zich de hele nacht al afgetobd en niets gevangen (vgl. Lc 5,5). Zonder ook maar enigszins de eigen verantwoordelijkheid te verloochenen, wordt het vrije antwoord van de mens aan God tot ‘medeverantwoordelijkheid’, verantwoordelijkheid in en met Christus, door de werking van zijn heilige Geest. Het wordt tot gemeenschap met de Enige die het ons mogelijk maakt veel vrucht te dragen (vgl. Joh 15,5). Een voorbeeldig antwoord van de mens vertrouwend op Gods initiatief is het ruimhartige en onvoorwaardelijke ‘Amen’ van de Maagd uit Nazareth. Zij uitte dit in nederige en besliste instemming met het plan van de Allerhoogste, haar voorzegd door de boodschapper van God (vgl. Lc 1,38). Door haar directe jawoord kon zij tot Moeder van God worden, de Moeder van onze Verlosser. Maria moest dit na haar eerste ‘fiat’ vele keren herhalen, zelfs op het uiteindelijke moment van de kruisiging, als ze “staand onder het kruis van Jezus” zoals de evangelist Johannes schrijft, deel had aan het vreselijke lijden van haar onschuldige Zoon. En het was vanaf het kruis dat Jezus, terwijl Hij stervende was, haar aan ons tot moeder gaf en ons aan haar toevertrouwde als haar zoons en dochters (vgl. Joh 19,26-27). Zij is in het bijzonder de Moeder van de priesters en religieuzen. Ik wil aan haar alle degenen toevertrouwen die zich bewust zijn van Gods roeping om de weg te gaan van het priesterambt of religieuze leven. Dierbare vrienden, raak niet ontmoedigd bij moeilijkheden en twijfels. Vertrouw op God en volg Jezus trouw, en jullie zullen getuigen worden van de vreugde die voortvloeit uit innige vereniging met Hem. Zet je in met alle geestelijke energie – in navolging van de Maagd Maria door alle geslachten zalig geprezen omdat zij geloofde (vgl. Lc 1,48) – om het verlossingsplan van de hemelse Vader te verwerkelijken. Doe dit, net als zij, door het vermogen te ontwikkelen tot verwondering en tot aanbidding van Degene die machtig is en “grote dingen” doet, want Heilig is zijn naam (vgl. Lc 1,49). Vanuit het Vaticaan, 20 januari 2009 P.P. Benedictus XVI
|
