Voorstel voor onderzoek naar seksueel misbruik in de rooms-katholieke Kerk - in de periode van 1945 tot heden
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Inleiding
Hoofdstuk 2: Het onderzoek
Hoofdstuk 3: Rol en verantwoordelijkheden ten aanzien van de slachtoffers
Hoofdstuk 4: Tijdslijn
Hoofdstuk 5: Samenstelling van de commissie
Hoofdstuk 6: Terms of reference
Hoofdstuk 1: Inleiding
Op 9 maart 2010 hebben de Nederlandse Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) besloten tot een onafhankelijk onderzoek naar de feiten en omstandigheden van seksueel misbruik1 van minderjarigen die werden toevertrouwd aan de verantwoordelijkheid van instellingen en parochies binnen de R.K. Kerkprovincie.2 Met het oog daarop hebben beide opdrachtgevers om een onafhankelijk advies gevraagd over de onderzoeksvragen. Zij verzochten daarbij ook de te verlenen zorg aan de slachtoffers van seksueel misbruik te betrekken, alsmede het doen van aanbevelingen voor het nemen van maatregelen ter voorkoming van dat misbruik.
Dit voorstel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 en 2 gaan in op de wetenschappelijke kant van het onderzoek. Onderdeel 3 vraagt specifiek aandacht voor de slachtoffers. Daarna volgen nog enkele aparte onderdelen: de aanbevelingen voor de inhoudelijke expertise voor de in te stellen commissie, het tijdpad voor het onderzoek en de terms of reference.
1.1. Algemeen
Het advies is het onderzoek naar de aard, omvang, omstandigheden en verantwoordelijkheden ter zake van seksueel misbruik van minderjarigen uit te strekken tot de periode van 1945 tot heden. Daarbij dient behoedzaam omgegaan te worden met de slachtoffers van dit misbruik en het verdriet en leed dat zij van dit misbruik hebben ondervonden en/of nog ondervinden. Hieraan zal afzonderlijk aandacht worden geschonken.
Het onderzoek is erop gericht inzicht te verkrijgen in de precieze setting van het gemelde seksuele misbruik (waarbij ook gekeken wordt naar gelegenheid, kans op ontdekking en risico's van sanctie). Deze setting wordt expliciet bezien in bredere verantwoordelijkheidsstructuren, wat betekent dat personen en instanties die verantwoordelijk waren voor toezicht en inspectie, en hun respectieve meldingsplicht, bij het onderzoek worden betrokken.
Het onderzoek wordt begrensd door:
- de periode van 1945 tot heden;
- de domeinen van onderzoek: pastorale context en r.k. instellingen voor opvoeding en onderwijs, jeugd- en jongerenorganisaties, de organisaties hiervan, bestuurlijke structuren en verantwoordelijkheidsrelaties, en de wijze waarop toezicht en inspectie was georganiseerd;
- de slachtoffers: minderjarigen toevertrouwd aan de verantwoordelijkheid van vertegenwoordigers van de R.K. Kerkprovincie, zijnde geestelijken, religieuzen, pastoraal werkers met een kerkelijk dienstverband en leken;
- de verantwoordelijken voor slachtoffers, zijnde ouders, voogden en voogdijinstellingen;
- de beschuldigden (en hun verantwoordelijken: bisschop of hogere overste): priesters van een bisdom, priesterreligieuzen, mannelijke laïcale religieuzen, vrouwelijke religieuzen en leken werkzaam binnen de instellingen.
1.2. Drie dimensies
Drie dimensies zijn in het onderzoek aan de orde:
- Allereerst dient aandacht gegeven te worden aan wat er in het verleden is gebeurd. Hierbij gaat het om het verkrijgen van inzicht in de feiten en omstandigheden die tot het seksueel misbruik hebben geleid. Ook is aan de orde wie daarvoor verantwoordelijk waren en/of zijn. Wat het historisch deel van het onderzoek betreft kunnen zich complicaties voordoen.
De kwestie van seksueel misbruik door geestelijken en religieuzen in rooms-katholieke kring is niet alleen een zwarte bladzijde in hun geschiedenis, maar ook een ongeschreven geschiedenis. Relevante archieven bevinden zich niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten, meer specifiek in Rome en elders ter wereld in generalaten van congregaties en orden die in Nederland actief zijn of zijn geweest. Tijdens het onderzoek zal blijken in hoeverre deze archieven voor de commissie worden geopend en eventueel onder welke voorwaarden. Verder moet er rekening mee worden gehouden dat het voor het onderzoek relevante bronnenmateriaal niet of slecht geordend is en daardoor moeilijk toegankelijk is. Voor wat betreft Nederland wordt er van uitgegaan dat de betrokken instanties zonder enige reserve gericht zullen meewerken aan archiefonderzoek. Voorts is nu niet bekend welke dossiers er zouden moeten zijn of geweest zijn, maar inmiddels zijn verdwenen of vernietigd. Hieruit kan een beperking voor het onderzoek voortvloeien. Echter, inzicht in de lacunes kan van belang zijn met het oog op de aanbevelingen voor de toekomst.
Gezien dit alles zal de commissie zich erover dienen te beraden op welke wijze met deze eventuele beperkingen omgegaan dient te worden, ook vanwege de voorgestelde onderzoekstijd van ongeveer één jaar. In het algemeen geldt voor het onderhavige onderzoek dat een onbegrensde toegang tot de relevante archieven wenselijk is, ook in dossiers die als privacygevoelig gelden, hetzij omdat er nog levende personen in voorkomen, hetzij omdat het persoonlijke dossiers betreft. Volledige medewerking van alle bevoegde instanties is daarvoor vereist.
- Vervolgens is er de actuele kwestie. Waarom is er nu opeens sprake van een toevloed van klachten over misbruik in het verleden en eerder kennelijk niet, dan wel wat stimuleert slachtoffers of stimuleerde hen om thans met hun verhaal te komen? Hoe dient te worden omgegaan met de gevoelens en emoties van de slachtoffers? Waarmee zijn de slachtoffers op dit moment geholpen? Gewezen zij nog op het volgende.
Sinds 1998 is misbruik van minderjarigen door priesters en religieuzen achtereenvolgens in Canada, de Verenigde Staten, Australië, Engeland, Ierland en zeer recent in Duitsland breed in het nieuws gebracht. Ging de aandacht aanvankelijk uit naar misbruik in pastorale situaties, in Canada, Ierland en nu ook in Duitsland zijn r.k. instellingen voor opvoeding en onderwijs zeer nadrukkelijk in beeld gekomen als locaties waar kinderen voor zulke schendingen van fysieke en psychische integriteit kwetsbaar konden zijn. In Duitsland blijkt dit overigens niet alleen in instellingen van katholieke signatuur het geval te zijn geweest. Deze aandacht heeft er toe bijgedragen dat het slachtoffers mogelijk werd hun verhaal te vertellen. Zonder de indruk te willen wekken als zou met terugwerkende kracht de slachtoffers verweten worden dat zij niet eerder hun verhaal hebben verteld, is het belangrijk vast te stellen wat of wie hen er van heeft weerhouden dat te doen.
- Ten derde is er de toekomst. Welke lessen kunnen getrokken worden uit het verleden? De volgende elementen behoeven in ieder geval de aandacht: hulp aan slachtoffers, vervolging van verdachten (wanneer mogelijk en opportuun,) rechtspositionele maatregelen tegen de daders (wanneer mogelijk en opportuun), "code of conduct" van en voor leidinggevenden binnen de R.K. Kerkprovincie (hoe misbruik te voorkomen en hoe te handelen in een geconstateerd geval van misbruik), opleidingseisen en –voorwaarden voor leidinggevenden binnen de R.K. Kerkprovincie.
1.3. Tijdvak
De vraag naar een onafhankelijk onderzoek is opgekomen doordat mensen zich gemeld hebben met hun verhalen over seksueel misbruik in de media en bij Hulp & Recht. De door hen beschreven periode omvat ruwweg de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot heden. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze periode gekenmerkt wordt door enkele voor het beoogde onderzoek mogelijk relevante veranderingen.
Vanaf 1962 tot 1965 vond het Tweede Vaticaans Concilie plaats en van 1968 tot 1970 het Pastoraal Concilie in Nederland, met implicaties voor het zelfverstaan en het functioneren van de R.K. Kerkprovincie. Voorts nam vanaf het midden van de jaren zestig het totaal aantal instellingen en internaten significant af door sluitingen en het terugtreden van religieuze ordes en congregaties uit het onderwijsveld.3 Daarnaast was en is de R.K. Kerkprovincie ook betrokken bij het leven van minderjarigen. buiten de onderwijsinstellingen via bv. jongerenbewegingen, misdienaargroepen, koren. Daarom worden ook deze organisaties betrokken in het onderzoeksvoorstel.
Door diverse commentatoren is ook gewezen op de mogelijke invloed van de seksuele revolutie in de jaren zestig. Deze lijkt echter pas vanaf het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw onder brede lagen van de bevolking geleid te hebben tot een toenemende openheid. Het is raadzaam te bezien in hoeverre snel veranderende visies op seksualiteit in het algemeen relevant zijn voor het fenomeen van seksueel misbruik binnen de R.K. Kerkprovincie.
1.4. Seksueel misbruik van minderjarigen
Het begrip "seksueel misbruik van minderjarigen" behoeft met het oog op het onderzoek precisering. De commissie zal zich erover dienen te beraden wat wel en wat niet onder dit begrip wordt begrepen. Daarbij dient in beschouwing te worden betrokken dat seksueel misbruik niet alleen het seksueel binnendringen in het lichaam omvat, maar ook bijvoorbeeld het plegen van ontuchtige handelingen. Voorts kan niet worden voorbij gegaan aan de feitelijke omstandigheid dat in de afgelopen decennia de beoordelingsnormen en de veroordeling wegens seksueel misbruik met de daaraan gekoppelde strafmaat aan veranderingen onderhevig zijn geweest. Ten slotte moet gemeld worden dat deskundigen nadrukkelijk er op wijzen dat in de kern seksueel misbruik minder van doen heeft met seksualiteit als zodanig, maar bovenal met macht en misbruik van macht in een gezagsrelatie.
Het onderzoek richt zich primair op het seksueel misbruik van minderjarigen. De invulling van het begrip ‘minderjarig’ als categorie zal steeds plaats vinden met inachtneming van de historische begripsbepalingen. Art 1:233 van het burgerlijk wetboek stelt thans dat minderjarig is iemand die de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt. Tot 1988 was iemand onder de 21 jaar minderjarig.
Het seksueel misbruik van minderjarigen wordt strafbaar gesteld in de artikelen 244 Sr. tot en met 249 Sr. Artikel 249 gaat over ontucht met misbruik van gezag. Het gaat dan specifiek om misbruik door iemand van pupillen, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, een minderjarige bediende of ondergeschikte. Artikel 249, tweede lid, benoemt een aantal categorieën van personen, waaronder onderwijzers, opzichters en personen werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg die ook onder dit artikel over ontucht in combinatie met misbruik van gezag kunnen vallen.
1.5. Organisatie R.K. Kerkprovincie
Het voorgestelde onderzoek dient een gerichte inventarisatie te maken van r.k. organisaties en (voogdij)instellingen die met seksueel misbruik van minderjarigen in verband worden gebracht, zoals:
- scholen en andere instellingen van religieuze instituten gericht op onderwijs en vorming;
- organisaties en instellingen van religieuze instituten gericht op jeugd- en jongerenwerk;
- kleinseminaries van religieuze instituten;
- bisschoppelijke kleinseminaries en colleges;
- parochies en daaraan gekoppeld jeugd- en jongerenwerk;
- instellingen voor de opvang van specifieke doelgroepen.
De inschatting van de schaal van het onderzoek is op dit moment lastig. In 1958 was er alleen al sprake van rond de 444 onderwijsinstellingen in de categorie internaat (voor verschillende leeftijdsgroepen en onderwijsniveaus), diocesane kleinseminaries en kleinseminaries van afzonderlijke orden en congregaties, bisschoppelijke colleges en zogeheten vrije colleges. Sommige scholen waren internaat, de meeste combineerden echter internaat met een zogeheten externaat voor ‘dagleerlingen’ die gewoon thuis woonden.
Bij deze organisaties en instellingen behoren ook bestuurlijke verantwoordelijkheden. Artikel 2:2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen onder het regiem vallen van hun eigen statuut. Voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland wordt dit geregeld door de Codex Iuris Canonici van 19834 en het reglement voor het R.K. Kerkgenootschap, canoniek de R.K. Kerkprovincie genoemd. Het hoogste aggregatieniveau binnen de kerkprovincie is een bisdom, geleid door een bisschop. Voor wat betreft zaken die de kerkprovincie in haar geheel betreffen is de bisschoppenconferentie verantwoordelijk, overeenkomstig de statuten van de bisschoppenconferentie.
Artikel 6 van het reglement voor het R.K. Kerkgenootschap stelt vast dat er naast de bisdomstructuur ook door het kerkelijk bevoegd gezag erkende gemeenschappen bestaan, waarin leden overeenkomstig hun eigen normen “door de professie van evangelische raden in de vorm van geloften of andere gewijde verbindingen, door de Kerk erkend en bekrachtigd, zich op hun eigen wijze aan God toewijden en de heilszending van de Kerk dienen”(c. 207 par. 2). Deze gemeenschappen worden onderscheiden in:
- instituten van gewijd leven;
- religieuze instituten;
- seculiere instituten;
- sociëteiten van apostolisch leven.
Afrondend, er bestaan juridische en functionele verschillen tussen de verantwoordelijkheden aan diocesane zijde van de bisschop in zijn eigen bisdom met betrekking tot gebeurtenissen in de pastorale, parochiële, context aan de ene kant en aan de andere kant de verantwoordelijkheid van de hoge oversten van religieuze ordes, die op grond van eigen statuten ofwel van diocesane aard zijn, in een gedeelde verantwoordelijkheid met de lokale bisschop, of krachtens pauselijk recht door het kerkelijk gezag te Rome erkende eigenstandige religieuze gemeenschappen zijn waarop de lokale bisschop geen invloed kan uitoefenen. In alle gevallen heeft de diocesane bisschop een pastorale zorgplicht jegens de slachtoffers (CIC 383).
Met de zo juist geschetste organisatorische differentiatie moet rekening gehouden worden bij de vaststelling van de omvang van het misbruik en de daarbij gedragen bestuurlijke verantwoordelijkheden.
Hoofdstuk 2: Het onderzoek
2.1. Inleiding
Uitgangspunt voor het voorgestelde onderzoek is om bij benadering een wetenschappelijk onderbouwde schatting te geven hoeveel incidenten van seksueel misbruik zich hebben voorgedaan binnen de R.K. Kerkprovincie in de periode van 1945 tot nu. Ieder gemeld incident is op zichzelf betreurenswaardig en de kerk onwaardig. Juist de slachtoffers moet het vooruitzicht van gedegen wetenschappelijk onderzoek dat recht doet aan hun ervaringen en verdriet worden geboden: wat is er gebeurd en hoe kon dit gebeuren? Toch ontkomt de commissie er niet aan in globale zin te specificeren in welke gevallen zij seksueel misbruik meer of minder aannemelijk vindt. Hierbij komt nog dat in tegenstelling tot het verschijnsel van onderrapportage (het niet melden van de incidenten) bij de beoordeling van eerst nu bekend geworden incidenten uit het verleden het verschijnsel van overrapportage niet op voorhand mag worden uitgesloten.
In het gehele onderzoek is een fasering aangebracht. Allereerst gaat het om kwantitatief onderzoek, dat bestaat uit een inventarisatie van de feitelijk beschikbare gegevens, nieuwe gegevens die kunnen worden verkregen door een te houden survey en archiefonderzoek. Om alle beschikbare gegevens vervolgens te kunnen analyseren en interpreteren is aanvullend kwalitatief onderzoek nodig met een meer sociologisch en historisch karakter.
2.2. Deel 1 van het onderzoek: het empirisch onderzoek
De data waarover de commissie snel of redelijk snel kan beschikken worden uit vier bronnen verkregen:
- een lijst van meldingen bij Hulp & Recht;
- een lijst van de rechtstreeks via het e-mail adres onderzoekrk@gmail.com en persoonlijk gerichte schriftelijke en mondelinge reacties;
- de bij diverse media binnengekomen meldingen en bestaande lijsten;
- archiefonderzoek.
Voor wat betreft de media kan uiteraard niet zonder meer worden beschikt over de bij hen in bezit zijnde overzichten van slachtoffers. Door de commissie zal nagegaan moeten worden of deze media bereid zijn die overzichten ter beschikking te stellen.
Daarnaast zal de commissie zelf aanvullend nieuwe gegevens moeten verzamelen door een survey-onderzoek te doen en in samenhang daarmee archiefonderzoek.
Tot slot kunnen gegevens verkregen worden van de daders zelf. Daartoe kan een zorgvuldig voorbereide oproep worden gedaan tegen de achtergrond van hun kerkelijke traditie en vanuit een persoonlijke behoefte om in het reine te komen met zichzelf en hun omgeving in een bekentenis getuigenis afleggen van hun daden en daarmee hun schuld bekennen ten opzichte van de slachtoffers.
2.2.1. Onderverdeling van de reeds beschikbare gegevens
Het onderwerp seksueel misbruik in de kerk heeft tot veel reacties geleid. Hierbij bleek niet altijd duidelijk wat de bedoeling van de reactie is geweest: ging het om meldingen van misbruik als zodanig, om in behandeling te nemen klachten, of om algemene reacties? De instelling Hulp & Recht maakte in het begin een onderscheid tussen meldingen en klachten. Klachten zijn meldingen waarbij slachtoffers hun klacht voor- leggen aan de Beoordelings- en Adviescommissie. Ook op andere plaatsen kwamen reacties binnen, waarvan een deel bestond uit specifieke meldingen van gevallen van misbruik. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid dat de archieven van de betrokken instellingen nog niet elders gemelde gevallen van misbruik bevatten.
Om een goed inzicht in de aard en omvang van de problematiek te krijgen is er een overzicht nodig van het totaal aantal meldingen aan verschillende instanties, waarbij ook doublures moeten worden weggestreept. Niet iedere reactie is een klacht. Hieronder volgt een voorstel voor een mogelijke onderverdeling van de kenbaar gemaakte gevoelens en opvattingen:
- Reactie: Omvat alle telefonische, digitale en schriftelijke reacties die ontvangen werden door Hulp & Recht;bij het e-mail adres onderzoekrk@gmail.com of schriftelijk; bij de bisdommen; bij de bij de KNR aangesloten religieuze organisaties; bij de media voor zover de commissie hier inzicht in mag krijgen.
- Melding: Reactie met specifieke informatie over misbruik in concrete gevallen en instellingen. te onderscheiden in:
1 schriftelijke en/of mondelinge melding van slachtoffers;
2 schriftelijke en/of mondelinge melding door verantwoordelijkheidsdragers
3 schriftelijke en/of mondelinge melding door getuigen;
4 schriftelijke en/of mondelinge melding door derden, ‘van horen zeggen’;
5 vermelding in archief.
- Klacht: Persoonlijke melding waarbij het slachtoffer gebruik wenst te maken van juridische procedures en/of de interne regeling van "Hulp & Recht".
- Overig: Alle reacties die geen melding en geen klacht zijn, waaronder
aanbiedingen tot meewerken aan onderzoek, het uiten van bezorgdheid of kwaadheid.
2.2.2. Interpretatie van de empirische gegevens
Deze fase van het onderzoek draagt in het bijzonder een cijfermatig karakter die een reeks van incidenten en betrokken instellingen zal opleveren. Die uitkomst als zodanig is onvoldoende basis om uitspraken van meer algemene aard te kunnen doen. Om ieder misverstand uit te sluiten laat het kunnen doen van algemene uitspraken onverlet dat elk incident afkeurenswaardig is.
Waarom kunnen er niet zonder meer algemene uitspraken worden gedaan? Twee overwegingen zijn van belang. Ten eerste is het niet op voorhand een vast staand gegeven of alle incidenten zijn of zullen worden gemeld (onderrapportage). Ten tweede kan het zo zijn dat de mogelijkheden voor verificatie dan wel falsificatie van de beschuldiging ontbreken.
Waarom zijn algemene uitspraken wenselijk? Hierbij is het van belang om een onderliggende vraag van dit onderzoek scherp in het vizier te houden. Velen vragen zich immers af of het bij de huidige aandacht voor seksueel misbruik gaat om een topje van de ijsberg met een niet zichtbare en veel bredere doorwerking in de organisaties binnen de R.K. Kerkprovincie, of om een gedifferentieerde situatie (naar tijd, plaats soorten van instelling en individuele instelling), dan wel alleen om een reeks van individuele misdrijven en misdragingen. Een helder antwoord op deze vragen helpt de slachtoffers, de verantwoordelijke bestuurders die maatregelen wensen te nemen, maar ook degenen die in het geheel geen blaam treft, te vrijwaren van beschuldigingen.
Voor het doen van betrouwbare uitspraken dient inzicht verkregen te worden in het aantal slachtoffers per dader, en het aantal vermoedelijke daders en vermoedelijke slachtoffers. Voorts dienen deze uitkomsten gerelateerd te worden aan de totale omvang van de populaties van minderjarigen (op scholen, internaten, jongerengroepen, misdienaars, etc.) waartoe de slachtoffers behoren of behoorden. Naar analogie geldt hetzelfde voor de daders. Eerst dan zijn vergelijkingen mogelijk met elders uit eerder onderzoek verkregen gegevens voor vergelijkbare situaties, andere beroepsgroepen en sectoren (waar een gezagsrelatie aanwezig is) en instellingen (bv. internaten) in Nederland en daarbuiten.
Er zij op gewezen, dat er op voorhand niet van kan worden uitgegaan dat de direct beschikbare gegevens voldoende of voldoende betrouwbaar zijn om een bij benadering onderbouwde schatting van de omvang van seksueel misbruik van minderjarigen te kunnen geven. Daarom is het nodig dat de commissie ook zelf aanvullende gegevens verzameld. Daarbij dienen vergelijkbare studies in binnen- en buitenland te worden betrokken. Eerst dan kan een wetenschappelijk onderbouwd antwoord gegeven worden op de vraag of er sprake is van het topje van de ijsberg, een gedifferentieerde situatie, of van een verzameling van individuele misdrijven en misdragingen.
2.2.3. Agenda voor het empirisch onderzoek
Het voorafgaande vereist dat de onderzoekscommissie zich bij de aanvang van haar werk concentreert op de vaststelling van de precieze opzet van het empirisch onderzoek en op grond daarvan de onderzoeksagenda vaststelt. Om daartoe te komen is in ieder geval ook nodig:
- literatuurstudie: welke studies zijn er al gedaan en wat kan daarvan worden geleerd?
- follow-up interviews met een steekproef van respondenten/slachtoffers waarbij in verband met de hulp en begeleiding ook kan worden ingegaan op de gevolgen van misbruik;5
De commissie zal bij het bepalen van de onderzoeksopzet rekening dienen te houden met de gewenste duur van het onderzoek van ongeveer een jaar.
2.3. Deel 2 van het onderzoek: het sociologisch/historisch onderzoek
In het licht van de veelheid van meldingen en klachten dringt zich de vraag op hoe dit alles zich heeft kunnen ontwikkelen? Het gaat dan om de brede maatschappelijke context: in wat voor maatschappij konden deze gebeurtenissen plaats vinden? Het gaat verder om de r.k. gemeenschap in ons land als directe context voor de r.k. religieuze instellingen: welke rol speelden deze instellingen in het dagelijks leven van hen die deel uit maakten van die gemeenschap? Het gaat tenslotte om de instellingen zelf en hun specifieke cultuur. De slachtoffers hebben recht op beantwoording van die vraag. Drie zaken verdienen in dat verband aandacht.
2.3.1. Culture of silence
Ten eerste verdient het aanbeveling om sociaalhistorisch onderzoek te doen naar de op meerdere plaatsen, waaronder ook in de media, genoemde "culture of silence". Hoe kan het dat, indien mensen er vanaf wisten, het toch stil bleef? Het gaat er nu niet om dat die zwijgcultuur goedgepraat wordt, maar om nauwkeurig te kijken naar de oorzaken en voorwaarden die deze cultuur mogelijk maakten en om daaruit lessen te trekken voor de toekomst. Dit zou door middel van specifieke casestudies onderzocht kunnen worden.
Daarvoor is het nodig inzicht te hebben op het punt van - overigens aan verandering onderhevig zijnde – opvattingen over pedofilie in de samenleving en van wat gezegd is in de wetenschappelijke (bv. de psychiatrische) literatuur in de afgelopen decennia.
Verder kan op basis van de meldingen en de berichtgeving in de media alleen worden gesteld dat slachtoffers deels niet hebben gesproken, deels hebben gesproken, maar het zwijgen is opgelegd door ouders, opvoeders of opleiders. Het onderzoek moet derhalve ook gericht zijn op een analyse van de communicatiecultuur in r.k. kring, waarbij aan structurele en specifieke aspecten zoals het biechtgeheim aandacht moet worden besteed.
2.3.2. Celibaat en kuisheid
Ten tweede zal het onderzoek gericht dienen te worden op de relatie tussen seksueel misbruik en het celibaat voor priesters en de gelofte van kuisheid voor mannelijke en vrouwelijke religieuzen. Het is van belang dat het onderzoek zich rekenschap geeft van mogelijke verschillen tussen de formele definitie en interpretaties die daaraan in de loop van de tijd werden gegeven en door wie. Daarbij dient zeker ook gekeken te worden naar de wijze waarop de definitie is uitgelegd in de fase van toeleiding, toelating en het keuzemoment voorafgaand aan de diakenwijding ter voorbereiding op een priesterwijding of het afleggen van de tijdelijke en eeuwige beloften die de keuze voor het celibaat, c.q. de kuisheid meebrachten.
2.3.3. Bestuurlijke verantwoordelijkheden
Ten derde dient aan de orde te komen hoe organisaties en hun bestuurders door de tijd heen zijn omgegaan met hun verantwoordelijkheden voor minderjarigen en hoe men optrad in geval van ontdekking van seksueel misbruik van minderjarigen. Het gaat dan in het bijzonder om rectoren, hoge oversten van religieuze instituten en bisschoppen. Aan hen zullen ondermeer de volgende vragen dienen te worden voorgelegd: welke maatregelen van rechtspositionele aard nam men bij ontdekking van seksueel misbruik van minderjarigen; welke overige maatregelen werden er genomen; in hoeverre werd er aangifte gedaan bij de politie, en wanneer dit niet het geval was, waarom liet men dit achterwege?
2.3.4. De slachtoffers en hun hulp
Tot nu toe werd er in dit voorstel over slachtoffers als groep gesproken. Dat neemt niet weg dat de in te stellen commissie ook de vraag onder ogen dient te zien op welke manieren zij kennis kan nemen van individuele gevallen en in hoeverre er over individuele gevallen op basis van vrijwilligheid aan de kant van de slachtoffers gesprekken kunnen plaats vinden.
Hierbij kan niet buiten de aandacht blijven op welke wijze in het verleden hulp is verleend aan de slachtoffers. Aandacht zal dan ook gegeven dienen te worden aan de positie van Hulp & Recht. In verband hiermee dient er binnen de commissie deskundigheid en ervaring op het gebied van de hulpverlening aanwezig te zijn.
2.3.5. Juridische en beleidsmatige kaders
Op grond van artikel 2.2 BW hebben kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid en mogen zij hun interne organisatie regelen krachtens een eigen statuut voor zover dit niet in strijd is met de wet. De interne organisatie van het R.K. kerkgenootschap wordt geregeld door de Codex Iuris Canonici van 1983 en het reglement voor het R.K. Kerkgenootschap, canoniek de R.K. Kerkprovincie genoemd.
Het Nederlands Wetboek van Strafrecht bevat in de artikelen 244-249 bepalingen over seksueel misbruik van minderjarigen. Het kerkelijk wetboek van 1983 gaat in Boek VI, titel V, can. 1395 § 2 in op het seksueel misbruik van minderjarigen beneden de leeftijd van zestien jaar. Beide regelingen hebben, gedurende de periode welke het onderzoek beslaat wijzigingen, ondergaan. Het Wetboek van Strafrecht werd op dit punt gewijzigd en het oude kerkelijk wetboek van 1917 werd in 1983 vervangen door het thans vigerende Codex Iuris Canonici.
Om een helder juridisch en beleidsmatig kader te schetsen over de periode die het onderzoek beslaat zijn antwoorden nodig op de volgende vragen:
1. Welke wettelijke bepalingen en opvattingen golden en gelden krachtens het Nederlands recht gedurende de periode van onderzoek (1945 tot heden) met betrekking tot:
- De bescherming van minderjarigen die zich in ongelijke machtsrelaties bevinden of geplaatst worden?
- Meer specifiek, het beschermen van minderjarigen tegen seksueel misbruik, ook in verhouding tot ouders, opvoeders en opleiders?
- De ontwikkelingen in de bescherming die zich in deze periode hebben voorgedaan en waardoor deze ontwikkelingen werden veroorzaakt?
2. Welke wettelijke bepalingen en opvattingen golden en gelden krachtens het Canoniek recht gedurende de periode van onderzoek (1945 tot heden) met betrekking tot:
- De bescherming van minderjarigen die in ongelijke machtsrelaties aan de zorgen van de R.K. Kerkprovincie werden toevertrouwd?
- Meer, specifiek, het beschermen van minderjarigen tegen seksueel misbruik?
- De ontwikkelingen in de bescherming die zich in deze periode hebben voorgedaan en waardoor deze ontwikkelingen werden veroorzaakt?
3. Hoe is de R.K. Kerkprovincie in de onderzoeksperiode (1945 tot heden) omgegaan met de ontwikkelingen in beide rechtssystemen aangaande dit onderwerp?
- Hoe werd het beleid inzake de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van misbruik uitgezet?
- Hoe verhoudt zich dit met de kaders en de richtlijnen die vanuit de Heilige Stoel ten aanzien van misbruik van minderjarigen zijn gesteld? Wat is bijvoorbeeld de rol en betekenis geweest van de instructie Crimen Sollicitationis uit 1962, de apostolische brief van paus Johannes Paulus II Sacramentorum sanctitatis tutela van 30 april 2001, de verklaring van de Congregatie van de Geloofsleer De Delictis Gravioribus van 18 mei 2001 en de op 12 april 2010 gepresenteerde Guide to understanding Basic CDF procedures concerning sexual abuse allegations en de daaraan gehechte richtlijnen?
4. Wat is op dit moment het standpunt dat de Rooms-katholieke kerk, en meer in het bijzonder de R.K. Kerkprovincie in Nederland, inneemt met betrekking tot de bescherming van minderjarigen die aan haar zorgen zijn toevertrouwd, en meer specifiek het voorkomen en bestrijden van seksueel misbruik in pastorale relaties?
- Hoe wordt daar bij de selectie en tijdens de opleidingen en vormingstrajecten van aanstaande pastoraal werkers, diakenen, priesters en religieuzen in Nederland aandacht aan besteed?
2.3.5.1 Ambtsgeheim en vertrouwelijkheid
Welke is de rol en betekenis van het ambtsgeheim (Wetboek van Strafrecht, artikel 272, CIC, boek IV, can. 983) en de vertrouwelijkheid, c.q. zwijgplicht in de onderhavige discussie?
1. Is er daarvoor een juridische basis naar Nederlands recht en/of in het kerkrecht?
2. Hoe absoluut is het ambtsgeheim in beide rechtssystemen?
3. En mocht het ambtsgeheim niet absoluut zijn, welke parallellen liggen er dan in de praktijk met bijvoorbeeld het verschoningsrecht van specifieke beroepsgroepen?
Ook lijkt er sprake te zijn van verschillende verzoeken tot zwijgen of zwijgplichten:
1. Waar en wanneer is er sprake (geweest) van zwijgplichten, aan wie opgelegd en hoe geformuleerd?
2. Welke (kerk)juridische bepalingen lagen aan deze zwijgplichten ten grondslag?
3. Hoe werk(t)en deze zwijgplichten in de praktijk; welke consequenties hebben zij gehad voor de bij de procedure betrokken partijen?
2.4. Onderzoeksvragen
Op grond van de bovenstaande overwegingen zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:
1. Welke zijn de gegevens en omstandigheden van seksueel misbruik van minderjarigen die aan de zorg van de R.K. Kerkprovincie werden toevertrouwd in de periode van 1945 tot heden?
2. Gaat het om een structureel probleem, een gedifferentieerde situatie naar tijd, plaats en instelling, of om een verzameling van unieke individuele misdrijven en misdragingen?
3. Was/is er sprake van een ‘culture of silence’ rondom seksueel misbruik van minderjarigen in de R.K. Kerkprovincie?
4. Bestaat er een verband, en zo ja welk, tussen de verplichting tot seksuele onthouding, besloten in het celibaat (priesters en mannelijke priesterreligieuzen) en de gelofte tot zuiverheid of kuisheid (voor mannelijke en vrouwelijke religieuzen) enerzijds en anderzijds het geconstateerde seksueel misbruik van minderjarigen?
5. Zijn er mogelijk ook andere oorzaken? Wat is er te zeggen over de gelegenheden tot misbruik, risico op ontdekking en sancties die verbonden zijn met de pastorale context en de context van instellingen voor opvoeding en onderwijs, waarbij met name ook de interne organisatie en de effecten van 24-uurs ‘gesloten instellingen’ als internaten aan de orde zullen komen.
6. Welke juridische en beleidsmatige kaders, zowel naar Nederlands recht als kerkrechtelijk, zijn van toepassing op deze kwestie en welke ontwikkelingen hebben hierin plaats gevonden?
Met het oog op de slachtoffers:
7. Hoe zijn in bestuurlijk verantwoordelijken omgegaan met hun verantwoordelijkheden voor minderjarige slachtoffers? Welke maatregelen namen zij met betrekking tot de beschuldigden?
8. Is de procedure van Hulp & Recht adequaat en hoe heeft zij tot nu toe gefunctioneerd?
9. Waarmee zijn de slachtoffers van het misbruik op dit moment het meest geholpen? Welke rol en verantwoordelijkheden liggen er hier voor de R.K. Kerkprovincie?
10. Welke lessen kunnen getrokken worden? Welke (preventieve) maatregelen moeten er genomen worden om herhaling te voorkomen?
Hoofdstuk 3: Rol en verantwoordelijkheden ten aanzien van de slachtoffers
3.1. Deel 3 van het onderzoek: hulp aan de slachtoffers
Het voorafgaande richtte zich op de vraag naar de feiten en omstandigheden. Het doel van dat onderdeel is het verkrijgen van een goed beeld van de aard, omvang en schaal van het misbruik in de periode van 1945 tot heden. Het tweede deel van dit advies kiest het persoonlijke perspectief van de slachtoffers. Welke rol en verantwoordelijkheden heeft de kerk tegenover de slachtoffers van misbruik?
Individuen zijn in concrete omstandigheden het slachtoffer geworden van misbruik. Daar kunnen we bepaald niet lichtvaardig mee omgaan. Hoe kan er recht gedaan worden aan hun verhalen, verdriet en pijn?
Natuurlijk, in de gevallen waarin het misbruik recent plaats vond staat er een tweetal wegen open om de slachtoffers tegemoet te komen: de weg naar de rechter of de weg via de door de R.K. Kerkprovincie zelf ingestelde procedure van Hulp & Recht. Maar het is ook waar dat in veel gevallen het misbruik lang geleden heeft plaats gevonden. Veel van de beschuldigden leven niet meer, of zijn hoogbejaard. Veel van de instellingen zijn al lang geleden opgehouden te bestaan, of zijn ingrijpend van organisatie- en verantwoordelijkheidsstructuur en personeelsbezetting veranderd. Veel van de verantwoordelijken in die tijd zijn evenmin in leven. Het gaat hier eigenlijk om een constellatie van organisatiestructuur en cultuur die niet meer bestaat. In zo verre is er niemand meer die deze cultuur nog goed kan vertegenwoordigen. Ook hierdoor is bijvoorbeeld de weg naar het strafrecht in vele gevallen niet meer mogelijk. Daar staat het volgende tegenover. De bestuursstructuur van de rooms-katholieke kerk op nationaal en internationaal niveau heeft evenwel sinds het Tweede Vaticaans Concilie op punten weliswaar wijzigingen ondergaan, maar niet zodanig dat dat ertoe heeft geleid dat bestuurlijke verantwoordelijkheden van bisschoppen en hoge oversten van ordes en congregaties wezenlijk zijn veranderd. Bovendien laten de meldingen na 1980 zien dat er tenminste een zekere continuïteit lijkt te zijn in de omgang met misbruikmeldingen. Nagegaan moet worden welke factoren die aan die cultuur hebben bijgedragen verdwenen zijn en welke constant zijn, zodat de opdrachtgevers van het onderzoek zich hiervan rekenschap kunnen geven bij hun toekomstig beleid ten aanzien van misbruik.
Zelfs indien de rechtsgang volkomen weggevallen is, dan betekent dat nog niet dat de huidige R.K. Kerkprovincie uit morele overwegingen geen verantwoordelijkheid heeft tegenover de slachtoffers van deze donkere pagina uit haar recente geschiedenis. Juist als kerkgemeenschap dient zij in de omgang met de slachtoffers haar diepste opdracht van humaniteit waar te maken.
Daarom zal de commissie zich bezig moeten houden met de vraag welke schade er bij de slachtoffers is ontstaan in termen van trauma, verdriet, leed en geschonden vertrouwen. Een deel van de slachtoffers meldt dat hun zaak ernstig was, maar is verwerkt. Het feit dat het misbruik is verwerkt, maakt de ernst ervan echter niet minder. Een deel van de slachtoffers zegt dat de schade groeit; sommige geven aan dat dit een blijvende frustrerende invloed heeft gehad op hun leven. Een aantal heeft behoefte aan een pastoraal gesprek; of om de feiten en omstandigheden te vertellen; of om met de toenmalig verantwoordelijken te spreken. In alle gevallen is de vraag welke hulp concreet gewenst is? Welke mogelijkheden liggen er om deze hulp tot stand te brengen of te faciliteren? Waar zijn de slachtoffers echt mee geholpen?
Deze vragen, ofschoon geen deel van het wetenschappelijk onderzoek als zodanig, kunnen niettemin niet los van het onderzoek worden gezien, al was het allen al omdat vanwege de meldingen van de slachtoffers de slachtoffers zelf centraal zijn komen te staan. Het verdient aanbeveling om bij voorrang al binnen enkele maanden na aanvang van de werkzaamheden een gericht advies te geven over de begeleiding en hulp in afwachting van de resultaten van het onderzoek zelf, zodat de R.K. Kerkprovincie de nodige voorzieningen kan treffen. In dit kader verdient de procedure van het door de R.K. Kerkprovincie opgerichte instelling Hulp & Recht bijzondere aandacht.
3.2. Procedure Hulp & Recht
De R.K. Kerkprovincie kent sinds 1995 de landelijke instelling 'Hulp & Recht'. Deze is opgericht door de bisschoppen en leidinggevenden (hogere oversten) van religieuzen. De instelling wil hulp en recht bieden aan mensen die het slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik door priesters, religieuzen en kerkelijk werkers. De procedure van Hulp & Recht is gebaseerd op het tuchtrecht zoals dat bijvoorbeeld ook in de medische wereld bestaat.
In de berichtgeving rondom de zaken die thans naar buiten zijn gekomen zijn er kritische vragen gesteld bij de procedures en het praktisch functioneren van Hulp & Recht. Derhalve verdient het aanbeveling om de procedure en het functioneren van de instelling aan de hand van de volgende vragen kritisch tegen het licht te houden en waar nodig aanbevelingen te doen:
- Hoe verhoudt de procedure van hulpverlening en begeleiding bij Hulp & Recht zich tot vergelijkbare activiteiten van andere instanties?
- Hoe verhoudt zich de juridische procedure van Hulp & Recht tot andere vergelijkbare procedures (met een tuchtrechtelijk karakter) in Nederland?
- Hoe verhoudt de procedure van Hulp & Recht zich tot het Nederlandse recht?
- Hoe verhoudt zich de procedure van Hulp & Recht tot het kerkelijk recht?
- Hoe functioneert de huidige procedure in de praktijk; wat gaat er goed, wat gaat er niet goed, waar zijn veranderingen en verbeteringen nodig; worden de adviezen van Hulp en Recht opgevolgd?
- Welke andere juridische mogelijkheden, zowel naar Nederlands recht als kerkrechtelijk, staan er voor de bisschoppen en leidinggevenden religieuzen open om seksueel misbruik te voorkomen, de slachtoffers te beschermen en onderzoek en vervolging in te stellen bij verdenking van seksueel misbruik door vertegenwoordigers van de kerk?
- Welke procedures gelden in het algemeen bij de andere instellingen waar slachtoffers zich hebben gemeld? Waar zijn die procedures op gebaseerd en hoe wordt daar met de belangen van slachtoffers en beschuldigden om gegaan?
3.3. Lessen voor de toekomst
De in te stellen commissie zal tenslotte moeten worden opgedragen om, in het licht van het primaire en secundaire onderzoek en de concrete ervaringen van de slachtoffers, haar conclusies te trekken met betrekking tot de vraag wat de feiten en omstandigheden zijn met betrekking tot seksueel misbruik van minderjarigen in de R.K. Kerkprovincie in de periode van 1945 tot heden.
De commissie zal waar mogelijk moeten aangeven welke kwetsbare plekken er in de organisatie- en bestuursstructuur aanwezig zijn, in samenhang met de verantwoordelijkheden, werkvelden en het te voeren personeels- en vrijwilligersbeleid om nieuwe gevallen van misbruik in de toekomst te voorkomen.
3.4. Verslaglegging
Om haar onafhankelijkheid en transparantie te waarborgen moet de in te stellen commissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de R.K. Kerkprovincie in de periode 1945 tot heden verplicht worden om het onderzoeksrapport en de daarbij behorende rapportages te publiceren, alsmede haar aanbevelingen met betrekking tot het omgaan met de huidige klachten van de slachtoffers en de lessen voor de toekomst.
Hoofdstuk 4: Tijdslijn
Hoofdstuk 5: Samenstelling van de commissie
Het onderzoek van de commissie voltrekt zich op vijf niveaus: (a) het horen of doen horen van slachtoffers, getuigen en beschuldigden/daders, bestuurlijk verantwoordelijken; (b) archiefonderzoek; (c) het (doen) doornemen van voor het onderwerp relevante studies; (d) eigen onderzoek (survey, vergelijkingen); (e) aandacht voor de hulp aan de slachtoffers. Voor een goede vervulling van de onderzoeksopdracht is daarom een multidisciplinaire aanpak vereist die tot uitdrukking komt in de commissiesamenstelling. Daarnaast zal op ad hoc basis van externe deskundigheid (bv. canoniek recht) gebruik moeten worden gemaakt. Voor het veldwerk zal gebruik moeten worden gemaakt van gespecialiseerde onderzoekers.
De commissie zal bij haar complexe taakvervulling ondersteund moeten worden door een kleine organisatie die daarvoor speciaal wordt opgezet.
In de commissie dient naast een voorzitter en secretaris aanwezig te zijn:
- juridische expertise (strafrecht en/of jeugdrecht, gecombineerd zo mogelijk met onderzoeks- en/of -opsporingservaring);
- een psycholoog;
- een (wetenschaps)filosoof met empirische achtergrond;
- een (kerk)historicus of een historicus met specialisatie in religie;
- een deskundige op het terrein van de hulpverlening;
Hoofdstuk 6: Terms of reference
1. De Nederlandse Bisschoppenconferentie (BK) en de Nederlandse Konferentie Religieuzen (KNR) stellen een onafhankelijke onderzoekscommissie in voor een onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen die aan de zorgen van de R.K. Kerkprovincie werden toevertrouwd in de periode van 1945 tot heden. Voor het samenstellen van de onderzoekscommissie geeft zij zonder last of ruggespraak mandaat aan de door haar benoemde voorzitter van de commissie.
2. Het advies voor het instellen van een onderzoekscommissie eventueel aangevuld met aanvullende wensen van de opdrachtgevers zoals vastgelegd op een vergadering na de presentatie van het advies en openbaar gemaakt, bepalen de inhoud en dimensies van het onderzoek.
3. De onderzoekscommissie krijgt een mandaat voor 1,5 jaar dat maximaal 1x verlengd kan worden met 6 maanden. Indien verlenging gewenst is zal de commissie 3 maanden voor het verlopen van het mandaat en met redenen omkleed kennis geven aan de opdrachtgevers.
4. De voorzitter van de onderzoekscommissie zorgt voor een begroting en de bewaking daarvan. De kosten worden gedragen door de BK en de KNR. De BK en de KNR stellen onderling een verdeelsleutel vast.
5. Van de onderzoekscommissie dienen naast voorzitter en secretaris de leden afkomstig te zijn van de volgende (eventueel gecombineerde) expertisevelden:
- juridische expertise (strafrecht en/of jeugdrecht, onderzoeks- of opsporingservaring)
- een psycholoog
- een wetenschapsfilosoof met empirisch achtergrond
- een (kerk)historicus en/of historicus met specialisatie in religie
- een deskundige op het terrein van de hulpverlening
Voorts zal op ad hoc basis deskundigheid van buiten kunnen worden aangetrokken (statistiek, archief, kerkrecht gespecialiseerde onderzoekers etc.)
6. De onderzoekscommissie stuurt een onderzoeksteam aan. Dit onderzoeksteam bestaat uit een teamleider en onderzoekers met bovengenoemde expertise, waaronder ook een archivaris. In gevallen waarin het onderzoeksteam niet over noodzakelijk geachte expertise beschikt, kunnen externe deskundigen gevraagd worden om deelvragen in het onderzoek te beantwoorden. Deze antwoorden zullen aan het onderzoek worden toegevoegd.
7. De BK en de KNR zorgen voor de benodigde kantoorruimte en financiële faciliteiten voor de commissie en het onderzoeksteam.
8. De onderzoekscommissie en het onderzoeksteam stellen beide een protocol vast hoe zij zullen omgaan met de vertrouwelijkheid van persoonlijke gegevens die haar tijdens het onderzoek onder ogen komen of die op enig andere manier kenbaar worden gemaakt. Ten overstaan van derden hanteren beide, in navolging van het gebruik bij justitiële onderzoeken, een volstrekte vertrouwelijkheid.
9. De opdrachtgevers spannen zich zonder enige terughoudendheid in om er voor te zorgen dat de onderzoekers toegang krijgen tot alle relevante archieven.
10. De opdrachtgevers spannen zich zonder enige terughoudendheid in om er voor te zorgen dat verantwoordelijken en oud-verantwoordelijken gehoord kunnen worden in het kader van het onderzoek.
11. Alle partijen en betrokkenen onthouden zich van uitspraken en informatieverstrekking omtrent de (mogelijke) uitkomst van het onderzoek totdat de onderzoekscommissie haar eindverslag heeft aangeboden aan de opdrachtgevers. Externe contacten lopen via de voorzitter. Dit eindverslag is openbaar. Daarna bestaat er de mogelijkheid, met inachtneming van de gangbare regels en gebruiken van zorgvuldigheid en privacybescherming, voor de onderzoekers om over het historisch deel van het onderzoek eigenstandig te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften,
12. De opdrachtgevers zullen, na bestudering, aangeven hoe zij zullen omgaan met de conclusies en aanbevelingen uit het eindverslag. Deze integrale reactie zullen zij binnen 6 maanden na ontvangst van het eindverslag openbaar maken.
13. Vijf jaar na de publicatie van het eindverslag zullen de opdrachtgevers aan de leden van de toenmalige onderzoekscommissie terugrapporteren hoe men met de lessen, verantwoordelijkheden en aanbevelingen is omgegaan. Deze rapportage is openbaar.
1. Later in de tekst wordt ingegaan op het begrip seksueel misbruik.
2. In het gehele voorstel wordt gesproken over de R.K. Kerkprovincie, hieronder worden ook begrepen de ordes en congregaties die lid zijn van de KNR.
3. Dit impliceert nog niet direct een afname van het aantal r.k. onderwijsinstellingen. Alleen de personele en bestuurlijke betrokkenheid van priesters en religieuzen is sedert de jaren ’60 van de vorige eeuw geslonken.
4. Ook hier zal het van belang zijn om te kijken wat het vigerende kerkrecht in de historische context was, bijvoorbeeld het recht zoals neergelegd in de Codex van 1917.
5. Zie punt 2.3.4.
Hoofdstuk 1: Inleiding
Hoofdstuk 2: Het onderzoek
Hoofdstuk 3: Rol en verantwoordelijkheden ten aanzien van de slachtoffers
Hoofdstuk 4: Tijdslijn
Hoofdstuk 5: Samenstelling van de commissie
Hoofdstuk 6: Terms of reference
Hoofdstuk 1: Inleiding
Op 9 maart 2010 hebben de Nederlandse Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) besloten tot een onafhankelijk onderzoek naar de feiten en omstandigheden van seksueel misbruik1 van minderjarigen die werden toevertrouwd aan de verantwoordelijkheid van instellingen en parochies binnen de R.K. Kerkprovincie.2 Met het oog daarop hebben beide opdrachtgevers om een onafhankelijk advies gevraagd over de onderzoeksvragen. Zij verzochten daarbij ook de te verlenen zorg aan de slachtoffers van seksueel misbruik te betrekken, alsmede het doen van aanbevelingen voor het nemen van maatregelen ter voorkoming van dat misbruik.
Dit voorstel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 en 2 gaan in op de wetenschappelijke kant van het onderzoek. Onderdeel 3 vraagt specifiek aandacht voor de slachtoffers. Daarna volgen nog enkele aparte onderdelen: de aanbevelingen voor de inhoudelijke expertise voor de in te stellen commissie, het tijdpad voor het onderzoek en de terms of reference.
1.1. Algemeen
Het advies is het onderzoek naar de aard, omvang, omstandigheden en verantwoordelijkheden ter zake van seksueel misbruik van minderjarigen uit te strekken tot de periode van 1945 tot heden. Daarbij dient behoedzaam omgegaan te worden met de slachtoffers van dit misbruik en het verdriet en leed dat zij van dit misbruik hebben ondervonden en/of nog ondervinden. Hieraan zal afzonderlijk aandacht worden geschonken.
Het onderzoek is erop gericht inzicht te verkrijgen in de precieze setting van het gemelde seksuele misbruik (waarbij ook gekeken wordt naar gelegenheid, kans op ontdekking en risico's van sanctie). Deze setting wordt expliciet bezien in bredere verantwoordelijkheidsstructuren, wat betekent dat personen en instanties die verantwoordelijk waren voor toezicht en inspectie, en hun respectieve meldingsplicht, bij het onderzoek worden betrokken.
Het onderzoek wordt begrensd door:
- de periode van 1945 tot heden;
- de domeinen van onderzoek: pastorale context en r.k. instellingen voor opvoeding en onderwijs, jeugd- en jongerenorganisaties, de organisaties hiervan, bestuurlijke structuren en verantwoordelijkheidsrelaties, en de wijze waarop toezicht en inspectie was georganiseerd;
- de slachtoffers: minderjarigen toevertrouwd aan de verantwoordelijkheid van vertegenwoordigers van de R.K. Kerkprovincie, zijnde geestelijken, religieuzen, pastoraal werkers met een kerkelijk dienstverband en leken;
- de verantwoordelijken voor slachtoffers, zijnde ouders, voogden en voogdijinstellingen;
- de beschuldigden (en hun verantwoordelijken: bisschop of hogere overste): priesters van een bisdom, priesterreligieuzen, mannelijke laïcale religieuzen, vrouwelijke religieuzen en leken werkzaam binnen de instellingen.
1.2. Drie dimensies
Drie dimensies zijn in het onderzoek aan de orde:
- Allereerst dient aandacht gegeven te worden aan wat er in het verleden is gebeurd. Hierbij gaat het om het verkrijgen van inzicht in de feiten en omstandigheden die tot het seksueel misbruik hebben geleid. Ook is aan de orde wie daarvoor verantwoordelijk waren en/of zijn. Wat het historisch deel van het onderzoek betreft kunnen zich complicaties voordoen.
De kwestie van seksueel misbruik door geestelijken en religieuzen in rooms-katholieke kring is niet alleen een zwarte bladzijde in hun geschiedenis, maar ook een ongeschreven geschiedenis. Relevante archieven bevinden zich niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten, meer specifiek in Rome en elders ter wereld in generalaten van congregaties en orden die in Nederland actief zijn of zijn geweest. Tijdens het onderzoek zal blijken in hoeverre deze archieven voor de commissie worden geopend en eventueel onder welke voorwaarden. Verder moet er rekening mee worden gehouden dat het voor het onderzoek relevante bronnenmateriaal niet of slecht geordend is en daardoor moeilijk toegankelijk is. Voor wat betreft Nederland wordt er van uitgegaan dat de betrokken instanties zonder enige reserve gericht zullen meewerken aan archiefonderzoek. Voorts is nu niet bekend welke dossiers er zouden moeten zijn of geweest zijn, maar inmiddels zijn verdwenen of vernietigd. Hieruit kan een beperking voor het onderzoek voortvloeien. Echter, inzicht in de lacunes kan van belang zijn met het oog op de aanbevelingen voor de toekomst.
Gezien dit alles zal de commissie zich erover dienen te beraden op welke wijze met deze eventuele beperkingen omgegaan dient te worden, ook vanwege de voorgestelde onderzoekstijd van ongeveer één jaar. In het algemeen geldt voor het onderhavige onderzoek dat een onbegrensde toegang tot de relevante archieven wenselijk is, ook in dossiers die als privacygevoelig gelden, hetzij omdat er nog levende personen in voorkomen, hetzij omdat het persoonlijke dossiers betreft. Volledige medewerking van alle bevoegde instanties is daarvoor vereist.
- Vervolgens is er de actuele kwestie. Waarom is er nu opeens sprake van een toevloed van klachten over misbruik in het verleden en eerder kennelijk niet, dan wel wat stimuleert slachtoffers of stimuleerde hen om thans met hun verhaal te komen? Hoe dient te worden omgegaan met de gevoelens en emoties van de slachtoffers? Waarmee zijn de slachtoffers op dit moment geholpen? Gewezen zij nog op het volgende.
Sinds 1998 is misbruik van minderjarigen door priesters en religieuzen achtereenvolgens in Canada, de Verenigde Staten, Australië, Engeland, Ierland en zeer recent in Duitsland breed in het nieuws gebracht. Ging de aandacht aanvankelijk uit naar misbruik in pastorale situaties, in Canada, Ierland en nu ook in Duitsland zijn r.k. instellingen voor opvoeding en onderwijs zeer nadrukkelijk in beeld gekomen als locaties waar kinderen voor zulke schendingen van fysieke en psychische integriteit kwetsbaar konden zijn. In Duitsland blijkt dit overigens niet alleen in instellingen van katholieke signatuur het geval te zijn geweest. Deze aandacht heeft er toe bijgedragen dat het slachtoffers mogelijk werd hun verhaal te vertellen. Zonder de indruk te willen wekken als zou met terugwerkende kracht de slachtoffers verweten worden dat zij niet eerder hun verhaal hebben verteld, is het belangrijk vast te stellen wat of wie hen er van heeft weerhouden dat te doen.
- Ten derde is er de toekomst. Welke lessen kunnen getrokken worden uit het verleden? De volgende elementen behoeven in ieder geval de aandacht: hulp aan slachtoffers, vervolging van verdachten (wanneer mogelijk en opportuun,) rechtspositionele maatregelen tegen de daders (wanneer mogelijk en opportuun), "code of conduct" van en voor leidinggevenden binnen de R.K. Kerkprovincie (hoe misbruik te voorkomen en hoe te handelen in een geconstateerd geval van misbruik), opleidingseisen en –voorwaarden voor leidinggevenden binnen de R.K. Kerkprovincie.
1.3. Tijdvak
De vraag naar een onafhankelijk onderzoek is opgekomen doordat mensen zich gemeld hebben met hun verhalen over seksueel misbruik in de media en bij Hulp & Recht. De door hen beschreven periode omvat ruwweg de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot heden. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze periode gekenmerkt wordt door enkele voor het beoogde onderzoek mogelijk relevante veranderingen.
Vanaf 1962 tot 1965 vond het Tweede Vaticaans Concilie plaats en van 1968 tot 1970 het Pastoraal Concilie in Nederland, met implicaties voor het zelfverstaan en het functioneren van de R.K. Kerkprovincie. Voorts nam vanaf het midden van de jaren zestig het totaal aantal instellingen en internaten significant af door sluitingen en het terugtreden van religieuze ordes en congregaties uit het onderwijsveld.3 Daarnaast was en is de R.K. Kerkprovincie ook betrokken bij het leven van minderjarigen. buiten de onderwijsinstellingen via bv. jongerenbewegingen, misdienaargroepen, koren. Daarom worden ook deze organisaties betrokken in het onderzoeksvoorstel.
Door diverse commentatoren is ook gewezen op de mogelijke invloed van de seksuele revolutie in de jaren zestig. Deze lijkt echter pas vanaf het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw onder brede lagen van de bevolking geleid te hebben tot een toenemende openheid. Het is raadzaam te bezien in hoeverre snel veranderende visies op seksualiteit in het algemeen relevant zijn voor het fenomeen van seksueel misbruik binnen de R.K. Kerkprovincie.
1.4. Seksueel misbruik van minderjarigen
Het begrip "seksueel misbruik van minderjarigen" behoeft met het oog op het onderzoek precisering. De commissie zal zich erover dienen te beraden wat wel en wat niet onder dit begrip wordt begrepen. Daarbij dient in beschouwing te worden betrokken dat seksueel misbruik niet alleen het seksueel binnendringen in het lichaam omvat, maar ook bijvoorbeeld het plegen van ontuchtige handelingen. Voorts kan niet worden voorbij gegaan aan de feitelijke omstandigheid dat in de afgelopen decennia de beoordelingsnormen en de veroordeling wegens seksueel misbruik met de daaraan gekoppelde strafmaat aan veranderingen onderhevig zijn geweest. Ten slotte moet gemeld worden dat deskundigen nadrukkelijk er op wijzen dat in de kern seksueel misbruik minder van doen heeft met seksualiteit als zodanig, maar bovenal met macht en misbruik van macht in een gezagsrelatie.
Het onderzoek richt zich primair op het seksueel misbruik van minderjarigen. De invulling van het begrip ‘minderjarig’ als categorie zal steeds plaats vinden met inachtneming van de historische begripsbepalingen. Art 1:233 van het burgerlijk wetboek stelt thans dat minderjarig is iemand die de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt. Tot 1988 was iemand onder de 21 jaar minderjarig.
Het seksueel misbruik van minderjarigen wordt strafbaar gesteld in de artikelen 244 Sr. tot en met 249 Sr. Artikel 249 gaat over ontucht met misbruik van gezag. Het gaat dan specifiek om misbruik door iemand van pupillen, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, een minderjarige bediende of ondergeschikte. Artikel 249, tweede lid, benoemt een aantal categorieën van personen, waaronder onderwijzers, opzichters en personen werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg die ook onder dit artikel over ontucht in combinatie met misbruik van gezag kunnen vallen.
1.5. Organisatie R.K. Kerkprovincie
Het voorgestelde onderzoek dient een gerichte inventarisatie te maken van r.k. organisaties en (voogdij)instellingen die met seksueel misbruik van minderjarigen in verband worden gebracht, zoals:
- scholen en andere instellingen van religieuze instituten gericht op onderwijs en vorming;
- organisaties en instellingen van religieuze instituten gericht op jeugd- en jongerenwerk;
- kleinseminaries van religieuze instituten;
- bisschoppelijke kleinseminaries en colleges;
- parochies en daaraan gekoppeld jeugd- en jongerenwerk;
- instellingen voor de opvang van specifieke doelgroepen.
De inschatting van de schaal van het onderzoek is op dit moment lastig. In 1958 was er alleen al sprake van rond de 444 onderwijsinstellingen in de categorie internaat (voor verschillende leeftijdsgroepen en onderwijsniveaus), diocesane kleinseminaries en kleinseminaries van afzonderlijke orden en congregaties, bisschoppelijke colleges en zogeheten vrije colleges. Sommige scholen waren internaat, de meeste combineerden echter internaat met een zogeheten externaat voor ‘dagleerlingen’ die gewoon thuis woonden.
Bij deze organisaties en instellingen behoren ook bestuurlijke verantwoordelijkheden. Artikel 2:2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen onder het regiem vallen van hun eigen statuut. Voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland wordt dit geregeld door de Codex Iuris Canonici van 19834 en het reglement voor het R.K. Kerkgenootschap, canoniek de R.K. Kerkprovincie genoemd. Het hoogste aggregatieniveau binnen de kerkprovincie is een bisdom, geleid door een bisschop. Voor wat betreft zaken die de kerkprovincie in haar geheel betreffen is de bisschoppenconferentie verantwoordelijk, overeenkomstig de statuten van de bisschoppenconferentie.
Artikel 6 van het reglement voor het R.K. Kerkgenootschap stelt vast dat er naast de bisdomstructuur ook door het kerkelijk bevoegd gezag erkende gemeenschappen bestaan, waarin leden overeenkomstig hun eigen normen “door de professie van evangelische raden in de vorm van geloften of andere gewijde verbindingen, door de Kerk erkend en bekrachtigd, zich op hun eigen wijze aan God toewijden en de heilszending van de Kerk dienen”(c. 207 par. 2). Deze gemeenschappen worden onderscheiden in:
- instituten van gewijd leven;
- religieuze instituten;
- seculiere instituten;
- sociëteiten van apostolisch leven.
Afrondend, er bestaan juridische en functionele verschillen tussen de verantwoordelijkheden aan diocesane zijde van de bisschop in zijn eigen bisdom met betrekking tot gebeurtenissen in de pastorale, parochiële, context aan de ene kant en aan de andere kant de verantwoordelijkheid van de hoge oversten van religieuze ordes, die op grond van eigen statuten ofwel van diocesane aard zijn, in een gedeelde verantwoordelijkheid met de lokale bisschop, of krachtens pauselijk recht door het kerkelijk gezag te Rome erkende eigenstandige religieuze gemeenschappen zijn waarop de lokale bisschop geen invloed kan uitoefenen. In alle gevallen heeft de diocesane bisschop een pastorale zorgplicht jegens de slachtoffers (CIC 383).
Met de zo juist geschetste organisatorische differentiatie moet rekening gehouden worden bij de vaststelling van de omvang van het misbruik en de daarbij gedragen bestuurlijke verantwoordelijkheden.
Hoofdstuk 2: Het onderzoek
2.1. Inleiding
Uitgangspunt voor het voorgestelde onderzoek is om bij benadering een wetenschappelijk onderbouwde schatting te geven hoeveel incidenten van seksueel misbruik zich hebben voorgedaan binnen de R.K. Kerkprovincie in de periode van 1945 tot nu. Ieder gemeld incident is op zichzelf betreurenswaardig en de kerk onwaardig. Juist de slachtoffers moet het vooruitzicht van gedegen wetenschappelijk onderzoek dat recht doet aan hun ervaringen en verdriet worden geboden: wat is er gebeurd en hoe kon dit gebeuren? Toch ontkomt de commissie er niet aan in globale zin te specificeren in welke gevallen zij seksueel misbruik meer of minder aannemelijk vindt. Hierbij komt nog dat in tegenstelling tot het verschijnsel van onderrapportage (het niet melden van de incidenten) bij de beoordeling van eerst nu bekend geworden incidenten uit het verleden het verschijnsel van overrapportage niet op voorhand mag worden uitgesloten.
In het gehele onderzoek is een fasering aangebracht. Allereerst gaat het om kwantitatief onderzoek, dat bestaat uit een inventarisatie van de feitelijk beschikbare gegevens, nieuwe gegevens die kunnen worden verkregen door een te houden survey en archiefonderzoek. Om alle beschikbare gegevens vervolgens te kunnen analyseren en interpreteren is aanvullend kwalitatief onderzoek nodig met een meer sociologisch en historisch karakter.
2.2. Deel 1 van het onderzoek: het empirisch onderzoek
De data waarover de commissie snel of redelijk snel kan beschikken worden uit vier bronnen verkregen:
- een lijst van meldingen bij Hulp & Recht;
- een lijst van de rechtstreeks via het e-mail adres onderzoekrk@gmail.com en persoonlijk gerichte schriftelijke en mondelinge reacties;
- de bij diverse media binnengekomen meldingen en bestaande lijsten;
- archiefonderzoek.
Voor wat betreft de media kan uiteraard niet zonder meer worden beschikt over de bij hen in bezit zijnde overzichten van slachtoffers. Door de commissie zal nagegaan moeten worden of deze media bereid zijn die overzichten ter beschikking te stellen.
Daarnaast zal de commissie zelf aanvullend nieuwe gegevens moeten verzamelen door een survey-onderzoek te doen en in samenhang daarmee archiefonderzoek.
Tot slot kunnen gegevens verkregen worden van de daders zelf. Daartoe kan een zorgvuldig voorbereide oproep worden gedaan tegen de achtergrond van hun kerkelijke traditie en vanuit een persoonlijke behoefte om in het reine te komen met zichzelf en hun omgeving in een bekentenis getuigenis afleggen van hun daden en daarmee hun schuld bekennen ten opzichte van de slachtoffers.
2.2.1. Onderverdeling van de reeds beschikbare gegevens
Het onderwerp seksueel misbruik in de kerk heeft tot veel reacties geleid. Hierbij bleek niet altijd duidelijk wat de bedoeling van de reactie is geweest: ging het om meldingen van misbruik als zodanig, om in behandeling te nemen klachten, of om algemene reacties? De instelling Hulp & Recht maakte in het begin een onderscheid tussen meldingen en klachten. Klachten zijn meldingen waarbij slachtoffers hun klacht voor- leggen aan de Beoordelings- en Adviescommissie. Ook op andere plaatsen kwamen reacties binnen, waarvan een deel bestond uit specifieke meldingen van gevallen van misbruik. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid dat de archieven van de betrokken instellingen nog niet elders gemelde gevallen van misbruik bevatten.
Om een goed inzicht in de aard en omvang van de problematiek te krijgen is er een overzicht nodig van het totaal aantal meldingen aan verschillende instanties, waarbij ook doublures moeten worden weggestreept. Niet iedere reactie is een klacht. Hieronder volgt een voorstel voor een mogelijke onderverdeling van de kenbaar gemaakte gevoelens en opvattingen:
- Reactie: Omvat alle telefonische, digitale en schriftelijke reacties die ontvangen werden door Hulp & Recht;bij het e-mail adres onderzoekrk@gmail.com of schriftelijk; bij de bisdommen; bij de bij de KNR aangesloten religieuze organisaties; bij de media voor zover de commissie hier inzicht in mag krijgen.
- Melding: Reactie met specifieke informatie over misbruik in concrete gevallen en instellingen. te onderscheiden in:
1 schriftelijke en/of mondelinge melding van slachtoffers;
2 schriftelijke en/of mondelinge melding door verantwoordelijkheidsdragers
3 schriftelijke en/of mondelinge melding door getuigen;
4 schriftelijke en/of mondelinge melding door derden, ‘van horen zeggen’;
5 vermelding in archief.
- Klacht: Persoonlijke melding waarbij het slachtoffer gebruik wenst te maken van juridische procedures en/of de interne regeling van "Hulp & Recht".
- Overig: Alle reacties die geen melding en geen klacht zijn, waaronder
aanbiedingen tot meewerken aan onderzoek, het uiten van bezorgdheid of kwaadheid.
2.2.2. Interpretatie van de empirische gegevens
Deze fase van het onderzoek draagt in het bijzonder een cijfermatig karakter die een reeks van incidenten en betrokken instellingen zal opleveren. Die uitkomst als zodanig is onvoldoende basis om uitspraken van meer algemene aard te kunnen doen. Om ieder misverstand uit te sluiten laat het kunnen doen van algemene uitspraken onverlet dat elk incident afkeurenswaardig is.
Waarom kunnen er niet zonder meer algemene uitspraken worden gedaan? Twee overwegingen zijn van belang. Ten eerste is het niet op voorhand een vast staand gegeven of alle incidenten zijn of zullen worden gemeld (onderrapportage). Ten tweede kan het zo zijn dat de mogelijkheden voor verificatie dan wel falsificatie van de beschuldiging ontbreken.
Waarom zijn algemene uitspraken wenselijk? Hierbij is het van belang om een onderliggende vraag van dit onderzoek scherp in het vizier te houden. Velen vragen zich immers af of het bij de huidige aandacht voor seksueel misbruik gaat om een topje van de ijsberg met een niet zichtbare en veel bredere doorwerking in de organisaties binnen de R.K. Kerkprovincie, of om een gedifferentieerde situatie (naar tijd, plaats soorten van instelling en individuele instelling), dan wel alleen om een reeks van individuele misdrijven en misdragingen. Een helder antwoord op deze vragen helpt de slachtoffers, de verantwoordelijke bestuurders die maatregelen wensen te nemen, maar ook degenen die in het geheel geen blaam treft, te vrijwaren van beschuldigingen.
Voor het doen van betrouwbare uitspraken dient inzicht verkregen te worden in het aantal slachtoffers per dader, en het aantal vermoedelijke daders en vermoedelijke slachtoffers. Voorts dienen deze uitkomsten gerelateerd te worden aan de totale omvang van de populaties van minderjarigen (op scholen, internaten, jongerengroepen, misdienaars, etc.) waartoe de slachtoffers behoren of behoorden. Naar analogie geldt hetzelfde voor de daders. Eerst dan zijn vergelijkingen mogelijk met elders uit eerder onderzoek verkregen gegevens voor vergelijkbare situaties, andere beroepsgroepen en sectoren (waar een gezagsrelatie aanwezig is) en instellingen (bv. internaten) in Nederland en daarbuiten.
Er zij op gewezen, dat er op voorhand niet van kan worden uitgegaan dat de direct beschikbare gegevens voldoende of voldoende betrouwbaar zijn om een bij benadering onderbouwde schatting van de omvang van seksueel misbruik van minderjarigen te kunnen geven. Daarom is het nodig dat de commissie ook zelf aanvullende gegevens verzameld. Daarbij dienen vergelijkbare studies in binnen- en buitenland te worden betrokken. Eerst dan kan een wetenschappelijk onderbouwd antwoord gegeven worden op de vraag of er sprake is van het topje van de ijsberg, een gedifferentieerde situatie, of van een verzameling van individuele misdrijven en misdragingen.
2.2.3. Agenda voor het empirisch onderzoek
Het voorafgaande vereist dat de onderzoekscommissie zich bij de aanvang van haar werk concentreert op de vaststelling van de precieze opzet van het empirisch onderzoek en op grond daarvan de onderzoeksagenda vaststelt. Om daartoe te komen is in ieder geval ook nodig:
- literatuurstudie: welke studies zijn er al gedaan en wat kan daarvan worden geleerd?
- follow-up interviews met een steekproef van respondenten/slachtoffers waarbij in verband met de hulp en begeleiding ook kan worden ingegaan op de gevolgen van misbruik;5
De commissie zal bij het bepalen van de onderzoeksopzet rekening dienen te houden met de gewenste duur van het onderzoek van ongeveer een jaar.
2.3. Deel 2 van het onderzoek: het sociologisch/historisch onderzoek
In het licht van de veelheid van meldingen en klachten dringt zich de vraag op hoe dit alles zich heeft kunnen ontwikkelen? Het gaat dan om de brede maatschappelijke context: in wat voor maatschappij konden deze gebeurtenissen plaats vinden? Het gaat verder om de r.k. gemeenschap in ons land als directe context voor de r.k. religieuze instellingen: welke rol speelden deze instellingen in het dagelijks leven van hen die deel uit maakten van die gemeenschap? Het gaat tenslotte om de instellingen zelf en hun specifieke cultuur. De slachtoffers hebben recht op beantwoording van die vraag. Drie zaken verdienen in dat verband aandacht.
2.3.1. Culture of silence
Ten eerste verdient het aanbeveling om sociaalhistorisch onderzoek te doen naar de op meerdere plaatsen, waaronder ook in de media, genoemde "culture of silence". Hoe kan het dat, indien mensen er vanaf wisten, het toch stil bleef? Het gaat er nu niet om dat die zwijgcultuur goedgepraat wordt, maar om nauwkeurig te kijken naar de oorzaken en voorwaarden die deze cultuur mogelijk maakten en om daaruit lessen te trekken voor de toekomst. Dit zou door middel van specifieke casestudies onderzocht kunnen worden.
Daarvoor is het nodig inzicht te hebben op het punt van - overigens aan verandering onderhevig zijnde – opvattingen over pedofilie in de samenleving en van wat gezegd is in de wetenschappelijke (bv. de psychiatrische) literatuur in de afgelopen decennia.
Verder kan op basis van de meldingen en de berichtgeving in de media alleen worden gesteld dat slachtoffers deels niet hebben gesproken, deels hebben gesproken, maar het zwijgen is opgelegd door ouders, opvoeders of opleiders. Het onderzoek moet derhalve ook gericht zijn op een analyse van de communicatiecultuur in r.k. kring, waarbij aan structurele en specifieke aspecten zoals het biechtgeheim aandacht moet worden besteed.
2.3.2. Celibaat en kuisheid
Ten tweede zal het onderzoek gericht dienen te worden op de relatie tussen seksueel misbruik en het celibaat voor priesters en de gelofte van kuisheid voor mannelijke en vrouwelijke religieuzen. Het is van belang dat het onderzoek zich rekenschap geeft van mogelijke verschillen tussen de formele definitie en interpretaties die daaraan in de loop van de tijd werden gegeven en door wie. Daarbij dient zeker ook gekeken te worden naar de wijze waarop de definitie is uitgelegd in de fase van toeleiding, toelating en het keuzemoment voorafgaand aan de diakenwijding ter voorbereiding op een priesterwijding of het afleggen van de tijdelijke en eeuwige beloften die de keuze voor het celibaat, c.q. de kuisheid meebrachten.
2.3.3. Bestuurlijke verantwoordelijkheden
Ten derde dient aan de orde te komen hoe organisaties en hun bestuurders door de tijd heen zijn omgegaan met hun verantwoordelijkheden voor minderjarigen en hoe men optrad in geval van ontdekking van seksueel misbruik van minderjarigen. Het gaat dan in het bijzonder om rectoren, hoge oversten van religieuze instituten en bisschoppen. Aan hen zullen ondermeer de volgende vragen dienen te worden voorgelegd: welke maatregelen van rechtspositionele aard nam men bij ontdekking van seksueel misbruik van minderjarigen; welke overige maatregelen werden er genomen; in hoeverre werd er aangifte gedaan bij de politie, en wanneer dit niet het geval was, waarom liet men dit achterwege?
2.3.4. De slachtoffers en hun hulp
Tot nu toe werd er in dit voorstel over slachtoffers als groep gesproken. Dat neemt niet weg dat de in te stellen commissie ook de vraag onder ogen dient te zien op welke manieren zij kennis kan nemen van individuele gevallen en in hoeverre er over individuele gevallen op basis van vrijwilligheid aan de kant van de slachtoffers gesprekken kunnen plaats vinden.
Hierbij kan niet buiten de aandacht blijven op welke wijze in het verleden hulp is verleend aan de slachtoffers. Aandacht zal dan ook gegeven dienen te worden aan de positie van Hulp & Recht. In verband hiermee dient er binnen de commissie deskundigheid en ervaring op het gebied van de hulpverlening aanwezig te zijn.
2.3.5. Juridische en beleidsmatige kaders
Op grond van artikel 2.2 BW hebben kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid en mogen zij hun interne organisatie regelen krachtens een eigen statuut voor zover dit niet in strijd is met de wet. De interne organisatie van het R.K. kerkgenootschap wordt geregeld door de Codex Iuris Canonici van 1983 en het reglement voor het R.K. Kerkgenootschap, canoniek de R.K. Kerkprovincie genoemd.
Het Nederlands Wetboek van Strafrecht bevat in de artikelen 244-249 bepalingen over seksueel misbruik van minderjarigen. Het kerkelijk wetboek van 1983 gaat in Boek VI, titel V, can. 1395 § 2 in op het seksueel misbruik van minderjarigen beneden de leeftijd van zestien jaar. Beide regelingen hebben, gedurende de periode welke het onderzoek beslaat wijzigingen, ondergaan. Het Wetboek van Strafrecht werd op dit punt gewijzigd en het oude kerkelijk wetboek van 1917 werd in 1983 vervangen door het thans vigerende Codex Iuris Canonici.
Om een helder juridisch en beleidsmatig kader te schetsen over de periode die het onderzoek beslaat zijn antwoorden nodig op de volgende vragen:
1. Welke wettelijke bepalingen en opvattingen golden en gelden krachtens het Nederlands recht gedurende de periode van onderzoek (1945 tot heden) met betrekking tot:
- De bescherming van minderjarigen die zich in ongelijke machtsrelaties bevinden of geplaatst worden?
- Meer specifiek, het beschermen van minderjarigen tegen seksueel misbruik, ook in verhouding tot ouders, opvoeders en opleiders?
- De ontwikkelingen in de bescherming die zich in deze periode hebben voorgedaan en waardoor deze ontwikkelingen werden veroorzaakt?
2. Welke wettelijke bepalingen en opvattingen golden en gelden krachtens het Canoniek recht gedurende de periode van onderzoek (1945 tot heden) met betrekking tot:
- De bescherming van minderjarigen die in ongelijke machtsrelaties aan de zorgen van de R.K. Kerkprovincie werden toevertrouwd?
- Meer, specifiek, het beschermen van minderjarigen tegen seksueel misbruik?
- De ontwikkelingen in de bescherming die zich in deze periode hebben voorgedaan en waardoor deze ontwikkelingen werden veroorzaakt?
3. Hoe is de R.K. Kerkprovincie in de onderzoeksperiode (1945 tot heden) omgegaan met de ontwikkelingen in beide rechtssystemen aangaande dit onderwerp?
- Hoe werd het beleid inzake de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van misbruik uitgezet?
- Hoe verhoudt zich dit met de kaders en de richtlijnen die vanuit de Heilige Stoel ten aanzien van misbruik van minderjarigen zijn gesteld? Wat is bijvoorbeeld de rol en betekenis geweest van de instructie Crimen Sollicitationis uit 1962, de apostolische brief van paus Johannes Paulus II Sacramentorum sanctitatis tutela van 30 april 2001, de verklaring van de Congregatie van de Geloofsleer De Delictis Gravioribus van 18 mei 2001 en de op 12 april 2010 gepresenteerde Guide to understanding Basic CDF procedures concerning sexual abuse allegations en de daaraan gehechte richtlijnen?
4. Wat is op dit moment het standpunt dat de Rooms-katholieke kerk, en meer in het bijzonder de R.K. Kerkprovincie in Nederland, inneemt met betrekking tot de bescherming van minderjarigen die aan haar zorgen zijn toevertrouwd, en meer specifiek het voorkomen en bestrijden van seksueel misbruik in pastorale relaties?
- Hoe wordt daar bij de selectie en tijdens de opleidingen en vormingstrajecten van aanstaande pastoraal werkers, diakenen, priesters en religieuzen in Nederland aandacht aan besteed?
2.3.5.1 Ambtsgeheim en vertrouwelijkheid
Welke is de rol en betekenis van het ambtsgeheim (Wetboek van Strafrecht, artikel 272, CIC, boek IV, can. 983) en de vertrouwelijkheid, c.q. zwijgplicht in de onderhavige discussie?
1. Is er daarvoor een juridische basis naar Nederlands recht en/of in het kerkrecht?
2. Hoe absoluut is het ambtsgeheim in beide rechtssystemen?
3. En mocht het ambtsgeheim niet absoluut zijn, welke parallellen liggen er dan in de praktijk met bijvoorbeeld het verschoningsrecht van specifieke beroepsgroepen?
Ook lijkt er sprake te zijn van verschillende verzoeken tot zwijgen of zwijgplichten:
1. Waar en wanneer is er sprake (geweest) van zwijgplichten, aan wie opgelegd en hoe geformuleerd?
2. Welke (kerk)juridische bepalingen lagen aan deze zwijgplichten ten grondslag?
3. Hoe werk(t)en deze zwijgplichten in de praktijk; welke consequenties hebben zij gehad voor de bij de procedure betrokken partijen?
2.4. Onderzoeksvragen
Op grond van de bovenstaande overwegingen zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:
1. Welke zijn de gegevens en omstandigheden van seksueel misbruik van minderjarigen die aan de zorg van de R.K. Kerkprovincie werden toevertrouwd in de periode van 1945 tot heden?
2. Gaat het om een structureel probleem, een gedifferentieerde situatie naar tijd, plaats en instelling, of om een verzameling van unieke individuele misdrijven en misdragingen?
3. Was/is er sprake van een ‘culture of silence’ rondom seksueel misbruik van minderjarigen in de R.K. Kerkprovincie?
4. Bestaat er een verband, en zo ja welk, tussen de verplichting tot seksuele onthouding, besloten in het celibaat (priesters en mannelijke priesterreligieuzen) en de gelofte tot zuiverheid of kuisheid (voor mannelijke en vrouwelijke religieuzen) enerzijds en anderzijds het geconstateerde seksueel misbruik van minderjarigen?
5. Zijn er mogelijk ook andere oorzaken? Wat is er te zeggen over de gelegenheden tot misbruik, risico op ontdekking en sancties die verbonden zijn met de pastorale context en de context van instellingen voor opvoeding en onderwijs, waarbij met name ook de interne organisatie en de effecten van 24-uurs ‘gesloten instellingen’ als internaten aan de orde zullen komen.
6. Welke juridische en beleidsmatige kaders, zowel naar Nederlands recht als kerkrechtelijk, zijn van toepassing op deze kwestie en welke ontwikkelingen hebben hierin plaats gevonden?
Met het oog op de slachtoffers:
7. Hoe zijn in bestuurlijk verantwoordelijken omgegaan met hun verantwoordelijkheden voor minderjarige slachtoffers? Welke maatregelen namen zij met betrekking tot de beschuldigden?
8. Is de procedure van Hulp & Recht adequaat en hoe heeft zij tot nu toe gefunctioneerd?
9. Waarmee zijn de slachtoffers van het misbruik op dit moment het meest geholpen? Welke rol en verantwoordelijkheden liggen er hier voor de R.K. Kerkprovincie?
10. Welke lessen kunnen getrokken worden? Welke (preventieve) maatregelen moeten er genomen worden om herhaling te voorkomen?
Hoofdstuk 3: Rol en verantwoordelijkheden ten aanzien van de slachtoffers
3.1. Deel 3 van het onderzoek: hulp aan de slachtoffers
Het voorafgaande richtte zich op de vraag naar de feiten en omstandigheden. Het doel van dat onderdeel is het verkrijgen van een goed beeld van de aard, omvang en schaal van het misbruik in de periode van 1945 tot heden. Het tweede deel van dit advies kiest het persoonlijke perspectief van de slachtoffers. Welke rol en verantwoordelijkheden heeft de kerk tegenover de slachtoffers van misbruik?
Individuen zijn in concrete omstandigheden het slachtoffer geworden van misbruik. Daar kunnen we bepaald niet lichtvaardig mee omgaan. Hoe kan er recht gedaan worden aan hun verhalen, verdriet en pijn?
Natuurlijk, in de gevallen waarin het misbruik recent plaats vond staat er een tweetal wegen open om de slachtoffers tegemoet te komen: de weg naar de rechter of de weg via de door de R.K. Kerkprovincie zelf ingestelde procedure van Hulp & Recht. Maar het is ook waar dat in veel gevallen het misbruik lang geleden heeft plaats gevonden. Veel van de beschuldigden leven niet meer, of zijn hoogbejaard. Veel van de instellingen zijn al lang geleden opgehouden te bestaan, of zijn ingrijpend van organisatie- en verantwoordelijkheidsstructuur en personeelsbezetting veranderd. Veel van de verantwoordelijken in die tijd zijn evenmin in leven. Het gaat hier eigenlijk om een constellatie van organisatiestructuur en cultuur die niet meer bestaat. In zo verre is er niemand meer die deze cultuur nog goed kan vertegenwoordigen. Ook hierdoor is bijvoorbeeld de weg naar het strafrecht in vele gevallen niet meer mogelijk. Daar staat het volgende tegenover. De bestuursstructuur van de rooms-katholieke kerk op nationaal en internationaal niveau heeft evenwel sinds het Tweede Vaticaans Concilie op punten weliswaar wijzigingen ondergaan, maar niet zodanig dat dat ertoe heeft geleid dat bestuurlijke verantwoordelijkheden van bisschoppen en hoge oversten van ordes en congregaties wezenlijk zijn veranderd. Bovendien laten de meldingen na 1980 zien dat er tenminste een zekere continuïteit lijkt te zijn in de omgang met misbruikmeldingen. Nagegaan moet worden welke factoren die aan die cultuur hebben bijgedragen verdwenen zijn en welke constant zijn, zodat de opdrachtgevers van het onderzoek zich hiervan rekenschap kunnen geven bij hun toekomstig beleid ten aanzien van misbruik.
Zelfs indien de rechtsgang volkomen weggevallen is, dan betekent dat nog niet dat de huidige R.K. Kerkprovincie uit morele overwegingen geen verantwoordelijkheid heeft tegenover de slachtoffers van deze donkere pagina uit haar recente geschiedenis. Juist als kerkgemeenschap dient zij in de omgang met de slachtoffers haar diepste opdracht van humaniteit waar te maken.
Daarom zal de commissie zich bezig moeten houden met de vraag welke schade er bij de slachtoffers is ontstaan in termen van trauma, verdriet, leed en geschonden vertrouwen. Een deel van de slachtoffers meldt dat hun zaak ernstig was, maar is verwerkt. Het feit dat het misbruik is verwerkt, maakt de ernst ervan echter niet minder. Een deel van de slachtoffers zegt dat de schade groeit; sommige geven aan dat dit een blijvende frustrerende invloed heeft gehad op hun leven. Een aantal heeft behoefte aan een pastoraal gesprek; of om de feiten en omstandigheden te vertellen; of om met de toenmalig verantwoordelijken te spreken. In alle gevallen is de vraag welke hulp concreet gewenst is? Welke mogelijkheden liggen er om deze hulp tot stand te brengen of te faciliteren? Waar zijn de slachtoffers echt mee geholpen?
Deze vragen, ofschoon geen deel van het wetenschappelijk onderzoek als zodanig, kunnen niettemin niet los van het onderzoek worden gezien, al was het allen al omdat vanwege de meldingen van de slachtoffers de slachtoffers zelf centraal zijn komen te staan. Het verdient aanbeveling om bij voorrang al binnen enkele maanden na aanvang van de werkzaamheden een gericht advies te geven over de begeleiding en hulp in afwachting van de resultaten van het onderzoek zelf, zodat de R.K. Kerkprovincie de nodige voorzieningen kan treffen. In dit kader verdient de procedure van het door de R.K. Kerkprovincie opgerichte instelling Hulp & Recht bijzondere aandacht.
3.2. Procedure Hulp & Recht
De R.K. Kerkprovincie kent sinds 1995 de landelijke instelling 'Hulp & Recht'. Deze is opgericht door de bisschoppen en leidinggevenden (hogere oversten) van religieuzen. De instelling wil hulp en recht bieden aan mensen die het slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik door priesters, religieuzen en kerkelijk werkers. De procedure van Hulp & Recht is gebaseerd op het tuchtrecht zoals dat bijvoorbeeld ook in de medische wereld bestaat.
In de berichtgeving rondom de zaken die thans naar buiten zijn gekomen zijn er kritische vragen gesteld bij de procedures en het praktisch functioneren van Hulp & Recht. Derhalve verdient het aanbeveling om de procedure en het functioneren van de instelling aan de hand van de volgende vragen kritisch tegen het licht te houden en waar nodig aanbevelingen te doen:
- Hoe verhoudt de procedure van hulpverlening en begeleiding bij Hulp & Recht zich tot vergelijkbare activiteiten van andere instanties?
- Hoe verhoudt zich de juridische procedure van Hulp & Recht tot andere vergelijkbare procedures (met een tuchtrechtelijk karakter) in Nederland?
- Hoe verhoudt de procedure van Hulp & Recht zich tot het Nederlandse recht?
- Hoe verhoudt zich de procedure van Hulp & Recht tot het kerkelijk recht?
- Hoe functioneert de huidige procedure in de praktijk; wat gaat er goed, wat gaat er niet goed, waar zijn veranderingen en verbeteringen nodig; worden de adviezen van Hulp en Recht opgevolgd?
- Welke andere juridische mogelijkheden, zowel naar Nederlands recht als kerkrechtelijk, staan er voor de bisschoppen en leidinggevenden religieuzen open om seksueel misbruik te voorkomen, de slachtoffers te beschermen en onderzoek en vervolging in te stellen bij verdenking van seksueel misbruik door vertegenwoordigers van de kerk?
- Welke procedures gelden in het algemeen bij de andere instellingen waar slachtoffers zich hebben gemeld? Waar zijn die procedures op gebaseerd en hoe wordt daar met de belangen van slachtoffers en beschuldigden om gegaan?
3.3. Lessen voor de toekomst
De in te stellen commissie zal tenslotte moeten worden opgedragen om, in het licht van het primaire en secundaire onderzoek en de concrete ervaringen van de slachtoffers, haar conclusies te trekken met betrekking tot de vraag wat de feiten en omstandigheden zijn met betrekking tot seksueel misbruik van minderjarigen in de R.K. Kerkprovincie in de periode van 1945 tot heden.
De commissie zal waar mogelijk moeten aangeven welke kwetsbare plekken er in de organisatie- en bestuursstructuur aanwezig zijn, in samenhang met de verantwoordelijkheden, werkvelden en het te voeren personeels- en vrijwilligersbeleid om nieuwe gevallen van misbruik in de toekomst te voorkomen.
3.4. Verslaglegging
Om haar onafhankelijkheid en transparantie te waarborgen moet de in te stellen commissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de R.K. Kerkprovincie in de periode 1945 tot heden verplicht worden om het onderzoeksrapport en de daarbij behorende rapportages te publiceren, alsmede haar aanbevelingen met betrekking tot het omgaan met de huidige klachten van de slachtoffers en de lessen voor de toekomst.
Hoofdstuk 4: Tijdslijn
| Weken | Tentatief plan van aanpak | |
| - 12 weken voorbereidingstijd - 1 jaar zuivere onderzoekstijd - 12 weken voor uitloop en afronding (Indien om dringende redenen noodzakelijk éénmalig te verlengen met 6 maanden, zie Terms of Reference) |
||
| 1-6 | Opstarten commissie, organiseren infrastructuur, taakverdeling | Aandacht voor slachtoffers; Advisering over hulp aan slachtoffers; doorlichten procedure Hulp & Recht |
| 6-12 | Uitwerken deelvragen in concrete onderzoeksvoorstellen, inventariseren namen extern te raadplegen/ horen deskundigen | |
| 13-47 | Onderzoek | |
| 48-49 | Terugkoppeling gehele commissie, eventueel aanscherpen van vragen, uitbreiding of inperking van bepaalde terreinen | |
| 50 | Korte openbare rapportage over de gang van zaken tot nu toe, eventueel met aangescherpte vragen, nog geen conclusies | |
| 1-12 | Onderzoek | |
| 13 -24 | Afronding van onderzoek, schrijven conclusies en aanbevelingen | |
| 25 | Presentatie uitkomsten van onderzoek |
Hoofdstuk 5: Samenstelling van de commissie
Het onderzoek van de commissie voltrekt zich op vijf niveaus: (a) het horen of doen horen van slachtoffers, getuigen en beschuldigden/daders, bestuurlijk verantwoordelijken; (b) archiefonderzoek; (c) het (doen) doornemen van voor het onderwerp relevante studies; (d) eigen onderzoek (survey, vergelijkingen); (e) aandacht voor de hulp aan de slachtoffers. Voor een goede vervulling van de onderzoeksopdracht is daarom een multidisciplinaire aanpak vereist die tot uitdrukking komt in de commissiesamenstelling. Daarnaast zal op ad hoc basis van externe deskundigheid (bv. canoniek recht) gebruik moeten worden gemaakt. Voor het veldwerk zal gebruik moeten worden gemaakt van gespecialiseerde onderzoekers.
De commissie zal bij haar complexe taakvervulling ondersteund moeten worden door een kleine organisatie die daarvoor speciaal wordt opgezet.
In de commissie dient naast een voorzitter en secretaris aanwezig te zijn:
- juridische expertise (strafrecht en/of jeugdrecht, gecombineerd zo mogelijk met onderzoeks- en/of -opsporingservaring);
- een psycholoog;
- een (wetenschaps)filosoof met empirische achtergrond;
- een (kerk)historicus of een historicus met specialisatie in religie;
- een deskundige op het terrein van de hulpverlening;
Hoofdstuk 6: Terms of reference
1. De Nederlandse Bisschoppenconferentie (BK) en de Nederlandse Konferentie Religieuzen (KNR) stellen een onafhankelijke onderzoekscommissie in voor een onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen die aan de zorgen van de R.K. Kerkprovincie werden toevertrouwd in de periode van 1945 tot heden. Voor het samenstellen van de onderzoekscommissie geeft zij zonder last of ruggespraak mandaat aan de door haar benoemde voorzitter van de commissie.
2. Het advies voor het instellen van een onderzoekscommissie eventueel aangevuld met aanvullende wensen van de opdrachtgevers zoals vastgelegd op een vergadering na de presentatie van het advies en openbaar gemaakt, bepalen de inhoud en dimensies van het onderzoek.
3. De onderzoekscommissie krijgt een mandaat voor 1,5 jaar dat maximaal 1x verlengd kan worden met 6 maanden. Indien verlenging gewenst is zal de commissie 3 maanden voor het verlopen van het mandaat en met redenen omkleed kennis geven aan de opdrachtgevers.
4. De voorzitter van de onderzoekscommissie zorgt voor een begroting en de bewaking daarvan. De kosten worden gedragen door de BK en de KNR. De BK en de KNR stellen onderling een verdeelsleutel vast.
5. Van de onderzoekscommissie dienen naast voorzitter en secretaris de leden afkomstig te zijn van de volgende (eventueel gecombineerde) expertisevelden:
- juridische expertise (strafrecht en/of jeugdrecht, onderzoeks- of opsporingservaring)
- een psycholoog
- een wetenschapsfilosoof met empirisch achtergrond
- een (kerk)historicus en/of historicus met specialisatie in religie
- een deskundige op het terrein van de hulpverlening
Voorts zal op ad hoc basis deskundigheid van buiten kunnen worden aangetrokken (statistiek, archief, kerkrecht gespecialiseerde onderzoekers etc.)
6. De onderzoekscommissie stuurt een onderzoeksteam aan. Dit onderzoeksteam bestaat uit een teamleider en onderzoekers met bovengenoemde expertise, waaronder ook een archivaris. In gevallen waarin het onderzoeksteam niet over noodzakelijk geachte expertise beschikt, kunnen externe deskundigen gevraagd worden om deelvragen in het onderzoek te beantwoorden. Deze antwoorden zullen aan het onderzoek worden toegevoegd.
7. De BK en de KNR zorgen voor de benodigde kantoorruimte en financiële faciliteiten voor de commissie en het onderzoeksteam.
8. De onderzoekscommissie en het onderzoeksteam stellen beide een protocol vast hoe zij zullen omgaan met de vertrouwelijkheid van persoonlijke gegevens die haar tijdens het onderzoek onder ogen komen of die op enig andere manier kenbaar worden gemaakt. Ten overstaan van derden hanteren beide, in navolging van het gebruik bij justitiële onderzoeken, een volstrekte vertrouwelijkheid.
9. De opdrachtgevers spannen zich zonder enige terughoudendheid in om er voor te zorgen dat de onderzoekers toegang krijgen tot alle relevante archieven.
10. De opdrachtgevers spannen zich zonder enige terughoudendheid in om er voor te zorgen dat verantwoordelijken en oud-verantwoordelijken gehoord kunnen worden in het kader van het onderzoek.
11. Alle partijen en betrokkenen onthouden zich van uitspraken en informatieverstrekking omtrent de (mogelijke) uitkomst van het onderzoek totdat de onderzoekscommissie haar eindverslag heeft aangeboden aan de opdrachtgevers. Externe contacten lopen via de voorzitter. Dit eindverslag is openbaar. Daarna bestaat er de mogelijkheid, met inachtneming van de gangbare regels en gebruiken van zorgvuldigheid en privacybescherming, voor de onderzoekers om over het historisch deel van het onderzoek eigenstandig te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften,
12. De opdrachtgevers zullen, na bestudering, aangeven hoe zij zullen omgaan met de conclusies en aanbevelingen uit het eindverslag. Deze integrale reactie zullen zij binnen 6 maanden na ontvangst van het eindverslag openbaar maken.
13. Vijf jaar na de publicatie van het eindverslag zullen de opdrachtgevers aan de leden van de toenmalige onderzoekscommissie terugrapporteren hoe men met de lessen, verantwoordelijkheden en aanbevelingen is omgegaan. Deze rapportage is openbaar.
1. Later in de tekst wordt ingegaan op het begrip seksueel misbruik.
2. In het gehele voorstel wordt gesproken over de R.K. Kerkprovincie, hieronder worden ook begrepen de ordes en congregaties die lid zijn van de KNR.
3. Dit impliceert nog niet direct een afname van het aantal r.k. onderwijsinstellingen. Alleen de personele en bestuurlijke betrokkenheid van priesters en religieuzen is sedert de jaren ’60 van de vorige eeuw geslonken.
4. Ook hier zal het van belang zijn om te kijken wat het vigerende kerkrecht in de historische context was, bijvoorbeeld het recht zoals neergelegd in de Codex van 1917.
5. Zie punt 2.3.4.









