Van Luyn: gezamenlijke reflectie op Heilig Land heilzaam voor Kerk en joden
Rkkerk.nl, 21 december 2007 - Het Hirsch Instituut (Stichting Joods Studiecentrum voor Oost-Nederland) organiseerde op 29 november in de synagoge van Enschede een conferentie over ’60 jaar Resolutie 181 en 90 jaar Balfour Declaration’, twee momenten die aan de basis stonden van de staat Israël. Sprekers waren onder anderen minister Verhagen van Buitenlandse Zaken en mgr. A. van Luyn s.d.b. van Rotterdam, bisschop-referent voor de relaties met het jodendom.
Op 29 november 1947 aanvaardden de Verenigde Naties met het Partition Plan het delingsplan voor het Engelse mandaatgebied Palestina. De Balfour Declaration dertig jaar eerder was een beleidsvoornemen van de Britse regering met betrekking tot de verdeling van het Ottomaanse Rijk na de Tweede Wereldoorlog. Het steunde de zionistische plannen voor een eigen joods gebied binnen Palestina, met als voorwaarde dat de rechten van de lokale bevolking gerespecteerd moesten worden.
‘Non possumus’
Bisschop Van Luyn schetste het Vaticaanse beleid in de 20ste eeuw ten aanzien van de joodse staat, dat zich ontwikkelde van ‘non possumus’ (‘wij kunnen niet’, een aan Handelingen 4,20 ontleende formule van afwijzing door de kerkelijke overheid) tot neutraliteit. Toen Theodor Herzl, leider van de zionistische beweging, in januari 1904 paus Pius X bezocht op zoek naar steun voor een joods thuisland liet Pius X hem “onomwonden weten dat de Kerk het zionisme niet zou steunen”, aldus Van Luyn.
Pius’ nee tegen het zionisme kwam voort uit theologische motieven, stelde Van Luyn: “Twee ervan noemde de paus zelf: de joden hadden Jezus niet erkend als Messias; Palestina was heilig omdat dit het land van Jezus Christus was.” Daarnaast speelde Pius’ algemene huiver voor moderne stromingen mee.
Christelijk Heilig Land
Pius’ opvolger paus Benedictus XV was minder huiverig voor het moderne. Wel koesterde de Heilige Stoel het ideaal van een christelijk Heilig Land. Van Luyn: “In deze context beschouwde Rome de immigratie van joden niet als een bedreiging, maar als een manier om tegenwicht te bieden aan de aanwezigheid van moslims. De Balfour Declaration (november 1917) trok een streep door dit toekomstbeeld.”
Ofschoon ook na WO II de belangen van het christendom voorop stonden, legde de Heilige Stoel ten aanzien van de kwestie Palestina in de praktijk een opvallende terughoudendheid aan de dag, aldus de Rotterdamse bisschop. In de loop der jaren ontstond een zekere modus vivendi tussen de Heilige Stoel en de staat Israël. Maar: “Voor een fundamentele verandering in de houding van de Kerk tot de staat Israël moest eerst een omslag plaatsvinden in het katholieke theologisch denken over het joodse volk en de joodse religie.”
Gebed voor ‘ontrouwe joden’
Paus Johannes XXIII zette een eerste stap, memoreerde Van Luyn. In 1959 riep hij het Tweede Vaticaans Concilie bijeen. Dit leidde onder meer tot het afschaffen van het gebed voor de ‘ontrouwe joden’ op Goede Vrijdag en een concept voor een verklaring over de relatie tussen de Kerk en het joodse volk. “De uiteindelijke versie van deze tekst werd in 1965 opgenomen in de Conciliaire Verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten, Nostra aetate.”
Mgr. Van Luyn: “Terugkijkend kunnen we constateren dat Nostra aetate het beginpunt is geweest van een ingrijpende ontwikkeling binnen de Kerk en de theologie zelf en in het opbouwen van een nieuwe relatie met het joodse volk.”
Erkenning van Israël
Ten aanzien van de staat Israël leek de doorwerking van Nostra aetate op zich te laten wachten. De opvolger van Johannes XXIII, paus Paulus VI, reisde in januari 1964 naar het Heilige Land. De reis was een kwestie van diplomatiek balanceren, daarom onderstreepte de paus het spirituele karakter van zijn reis: “We komen als pelgrim.”
Volgens Van Luyn is een eerste officiële katholieke verwijzing naar de staat Israël te vinden in de verklaring van de Franse bisschoppen over de relatie van de Kerk met het joodse volk uit 1973. Met het aantreden van paus Johannes Paulus II in 1978 werd de lijn versterkt die met de Franse verklaring was ingezet. Het inzicht dat politieke existentie en religieuze binding met het (Heilige) Land voor joden samenkomen in de staat Israël, en dat de joden net als andere volkeren recht hebben op een eigen staat werd door paus Johannes Paulus II herhaaldelijk onderschreven. In 1993 bevestigde de Heilige Stoel deze erkenning met de iure erkenning van de staat Israël, in 1994 gevolgd door het uitwisselen van ambassadeurs.
‘Terugkeer naar Zion’
“De staat Israël is een gewone staat onder de staten”, aldus Van Luyn, “maar tegelijkertijd is de staat Israël ongewoon, omdat hij voor verreweg de meeste religieuze joden de vervulling is van een eeuwenoud religieus verlangen tot hereniging van het joodse volk in het Beloofde Land, naar zijn terugkeer naar Zion. Dit religieuze Zionsverlangen, en daarmee de terugkeer naar het Land, staat op zijn beurt in het bredere perspectief van de messiaanse hoop op verlossing en de komst van Gods koninkrijk, waaraan de hele wereld deel zal hebben.”
Met de stichting van de staat Israël is binnen het jodendom zelf het debat over het Land en de religieuze implicaties van de terugkeer in het Land alleen maar toegenomen, benadrukte Van Luyn.
‘Theologie van het Land’
Van Luyn herkent deze motieven in het leven en de idealen van de R.-K. Kerk. Hij benoemde de twee typen van uitleg in de R.-K. Kerk van de betekenis van het Heilige Land. Ten eerste: het Land is heilig omdat het de plaats is waar de bijbelse geschiedenis zich heeft afgespeeld, omdat de aartsvaders, profeten en Jezus Christus er leefden. Daarnaast is er de vergeestelijkte lezing van de landbelofte, waarbij het Land symbool is voor een toestand van vrede en gerechtigheid. In deze opvatting wordt de Exodus van het joodse volk naar het Beloofde Land gelezen als paradigma voor de bevrijding uit elke situatie van onderdrukking, hetzij spiritueel, hetzij sociaal, economisch en politiek. Binnen die leeswijze past ook het beeld van het hemelse Jeruzalem. Van Luyn: “De vraag is hoe wij christenen een theologie van het Land kunnen ontwikkelen, een derde leeswijze van de bijbelse landbelofte, waarin de concrete worsteling van het joodse volk, met zijn zorgen en trauma’s, om dat kleine lapje grond tussen de Jordaan en de Middellandse Zee, verbonden kan worden met het grote ideaal van verlossing en bevrijding waarvan de bijbel spreekt.” Daarbij komt ook nog de vraag hoe de Palestijnen deel kunnen hebben aan datzelfde ideaal van gerechtigheid en bevrijding.
‘Gezamenlijke reflectie’
Volgens Van Luyn zou de ontwikkeling van de christelijke theologie van het Land echter ongeloofwaardig zijn als daarover niet het gesprek wordt aangegaan met de joden: “Een gezamenlijke existentiële en religieuze reflectie op de betekenis van Land en staat, vanuit en binnen de dialoog tussen joden en christenen, zou in elk geval voor de Kerk – maar ik hoop ook voor het joodse volk – heilzaam zijn.”
“Onze verkondiging van de hoop op een toekomst van recht en gerechtigheid wordt pas geloofwaardig als wij handelen vanuit het ideaal van recht en gerechtigheid, liefde en compassie, dat ons is ingegeven door Gods liefde en barmhartigheid. Door ons in te zetten voor wat in het jodendom tikkoen olam heet, het ‘herstel van de wereld’, kunnen wij iets laten zien van het toekomstideaal van een betere en rechtvaardigere wereld. Joden en christenen delen dit bijbelse toekomstideaal, ieder vanuit hun eigen perspectief.”
“Ik wens en bid daarom dat de historische gebeurtenissen die we op deze dag herdenken – de Balfour Declaration en de Partition – in dit perspectief begrepen kunnen worden als bijdragen aan vrede en gerechtigheid, zowel voor de direct betrokken volkeren, joden en Palestijnen, alsook voor heel de wereld”, besloot mgr. Van Luyn.









